|
|
Sociale
huisvestingsmaatschappijen
hebben vooral heilige huisjes gebouwd
door Martin de
Vlieghere, 2005.
Dat de sociale woningbouw wereldwijd en sinds mensenheugenis
catastrofale resultaten voorlegt, volstaat helaas nog steeds niet om te
stoppen met de idiotie van openbare besturen die zich opwerpen als
grootschalige woningbouwpromotoren en vastgoedmiljardairs. Sociale
woningbouw verschijnt integendeel als prioriteit bij elke opeenvolgende
regeringsvorming. Het is in kringen van het establishment
heiligschennis om daar tegen in te gaan. Het wordt hoog tijd dat we de
heilige huisjes van de sociale woningbouw afbreken, vindt Martin De
Vlieghere.
Het eerste heilige huisje is dat zonder sociale huisvesting veel meer
mensen onvermijdelijk in erbarmelijke omstandigheden zouden moeten
wonen of zelfs dakloos worden. Indien het werkelijk menens zou zijn met
het basisrecht van gezond wonen, waarom verleent men de allerarmsten
dan geen wooncheques die op de privé-markt kunnen worden
gebruikt? De Amerikaanse federale regering berekende dat een sociale
woning elke maand dubbel zoveel kost aan de belastingbetaler als een
voucher die de privé-verhuurder bij de overheid kan verzilveren.
Bovendien moet men met het systeem van woningcheques niet meer voor een
sociale mix zorgen (sociale gettovorming is immers uitgesloten) en kan
men de hulp beperken tot de mensen bij wie de woningnood het grootst
is. Hoewel een rijke stad als New York met exploderende woningnood
kampt en bij de federale overheid om steeds meer geld bedelt voor haar
failliete huisvestingsmaatschappijen, weigert zij evenwel de federaal
uitgegeven vouchers te verdelen omdat ze liever zelf bouwheer en
vastgoedtycoon blijft.
Het tweede heilige huisje is dat sociale woningbouw onontbeerlijk is om
de gemiddelde woonkwaliteit te verbeteren zonder dat achtergestelde
sociale categorieën uit de boot vallen. Het omgekeerde is waar.
Alleen door te bouwen voor de rijken – zoals privé-investeerders
doen – verbetert de woonkwaliteit van de armen. Men moet geen bolleboos
zijn in hogere economische mathematica om het ‘trickle down’ effect te
begrijpen: als de rijken verhuizen naar de luxueuze nieuwbouw, komen
hun voormalige burgerswoningen vrij voor minder kapitaalkrachtige
mensen. In de jaren zeventig en tachtig werd kwalitatief wonen daardoor
steeds betaalbaarder voor de Vlaming, de woonkost daalde in verhouding
tot de gemiddelde lonen. Helaas is momenteel het omgekeerde proces op
gang getrokken. Door het gebrek aan bouwgrond, de overregulering van
leegstand en nieuwbouw en de politieke vijandigheid (per definitie
kortzichtig) tegenover speculatie (per definitie langetermijnplanning),
worden moderne kwaliteitswoningen op de privé-markt een
exclusieve luxe voor de happy few en betaalt de middenklasse zich blauw
om hopeloos verouderde arbeiderswoningen op te knappen.
Omwille van deze heilige huisjes wordt een immense bureaucratie in
leven gehouden die moet waken over de politiek correcte toewijzing van
sociale woningen, waarbij eindeloos moet worden geschipperd tussen
armoedebestrijding, gezonde huisvesting voor kroostrijke gezinnen en
het vermijden van sociale getto’s.
Erger nog zijn de batterijen discriminerende maatregelen en subsidies
nodig om de sociale huisvestingsmaatschappijen kunstmatig in leven te
houden. Philippe Van den Abeele, eindredacteur van de nieuwsbrief ‘Mijn
Huis Mijn Recht’ vond zo maar liefst 26 verschillende Vlaamse regels om
de sociale woningbouw meer armslag te geven ten nadele van de
privé-investeerders: voorkooprecht, de mogelijkheid om
privé-verkavelingen te blokkeren omdat in Vlaanderen voortaan
met de lokale sociale huisvestingsmaatschappij moet onderhandeld worden
over de ‘sociale invulling’ ervan, decretale ‘woonreservegebieden’ waar
alleen de overheid mag investeren, de talloze BPA’s exclusief opgemaakt
voor ‘sociale woningbouw’ enzovoort (zie nr. 49 van de nieuwsbrief).
Een uitermate complex subsidiesysteem voor verwerving van gronden,
bouwklaar maken van terreinen, infrastructuurwerken en voor de bouwkost
zelf met speciale regels voor sociale huurwoningen en koopwoningen,
voor nieuwbouw en renovatie en al naargelang het om
woonvernieuwingsgebieden gaat of andere gebieden, vermag niet te
verhelen dat de sociale huisvestingsmaatschappijen slechts een fractie
van de kostprijs op zich moeten nemen. Ondanks de zware positieve
discriminatie van sociale huisvestingsmaatschappijen, duiken ze elk
jaar dieper in het rood en nemen de subsidies en de woningnood toe.
De verkoop van sociale huurwoningen is geen alternatieve
financieringsbron gebleken aangezien een sociale
huisvestingsmaatschappij gemiddeld drie woningen uit haar patrimonium
moet verkopen om de bouw van één nieuwe woning te
financieren, wat bewijst hoe snel verouderd, onaantrekkelijk en duur
sociale woningen zijn. Daar is niets mysterieus aan. Omdat openbare
besturen in comité moeten beslissen, aan de politieke eisen van
het ogenblik moeten voldoen en met niet-vrijwillig verstrekte fondsen
werken, kunnen zij niet anders dan ver onder het peil van de
privé-investeerders werken. Sociale huisvesting verarmt de
samenleving en kan zelfs haar eigen politieke prioriteiten niet zo goed
realiseren als de privé-vastgoedinvesteerders.
Sociale woningbouw is georganiseerde schaarste waar de wachtlijsten, de
inefficiëntie, de corruptie en de politieke conflicten ingebouwd
zijn. De sociale huisvesting is vooral een business waar
verdeel-en-heers-politici, juristen, theoretische economen, lobbyisten
en sociaal-assistenten die geen enkele bijdrage leveren aan het
woningenbestand, zichzelf belangrijk kunnen maken als managers van de
woningnood.
Er is niets sociaal aan mastodont vastgoedconglomeraten die met
miljarden euro’s belastinggeld onaantrekkelijke woningen bouwen en het
privé-initiatief van de schaarse bouwgronden verdringen. Het is
geen toeval dat de ‘voortrekkerslanden’ inzake sociale woningbouw
Nederland en de U.K. kampen met sociale getto’s en woningnood. Moeten
wij hen zonodig achterna? Er is geen zekerder manier om woningnood te
creëren en de verbetering van de woonkwaliteit te vertragen dan
meer belastinggeld naar de sociale woningbouw te versassen.
|
.
|
.
|
.
|
 |
Meest
gelezen essays
|
 |
|
Media
|
 |
|
Is
Belasting nu Diefstal of niet?

Een
opmerkelijk debat ten
gronde
tussen
Prof.
L.Stevens en Toine Manders
Alleen
de Staat en
de Maffia gebruiken dwang
en
zelfs dreiging
met geweld om zich voor hun "diensten" te laten betalen.
De overheid
verdedigt
haar dwang met het excuus
dat
burgers niet bereid zijn tot vrijwillige bijdrage
voor
de collectieve
voorzieningen:
voor
wegen, voor onderwijs en
politie...
Dat is
een drogreden: de
private sector slaagt er immers wél in de financiering van
collectieve
voorzieningen rond te krijgen zónder dwang of geweld. Neem het
voorbeeld van shopping centra.
Daar zijn de collectieve
voorzieningen privaat gerealiseerd
in vrijwillige samenwerking.
Straten,
parkings en beveiliging zijn privaat gefinancierd zonder dwang noch
overheid.
De
kwaliteit van de voorzieningen is er zelfs
veel
beter dan de publieke diensten van de stad:
Gratis
parking, keurige toiletten, airco op straten en pleintjes... Comfort
dus in
plaats van
stadsstoepen
met valkuilen, hondenpoep en parkeerboetes.
Ook de
drogreden van "Free
riding" (niet-kopers, wandelaars die meegenieten zonder
enige tegenprestatie)
vormt er geen enkel probleem.
Op
dezelfde basis van
vrijwilligheid kunnen
privéverzekeringen
even goed de sociale
zekerheid organiseren. Dwang is alleen
nodig als men aan
klanten
totaal ongewenste
diensten wil aansmeren
of iets wil verkopen tegen een veel te
hoge prijs.
Dwang is
dus (vrijwel altijd vermijdbare)
initiatie van geweld. Belastingen
staan daarom
op hetzelfde moreel niveau als
diefstal.
"Wie dwang
gebruikt is schuldig aan moedwillig geweld. Dwang is inhumaan."
Mahatma Gandhi
|
|