Big Government leads to
Serfdom an
d Poverty

      ►  English Newsletter  
        Nederlandstalige Nieuwsbrief
        French, Italian and other languages 
        Statistics portal - Data from around the Globe
        Freedom Video Library: Economics made easy
        Library - Books, Links, Free Market Institutes, Downloads

   Mission Statement
 
The WebThis Site


24-10-2006

The best Social
Program
is a Job
( Ronald Reagan )
news home news contact
francais English
Kennismaatschappij en actieve welvaartsstaat.
Bedreigt de informatisering de positie van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt?

Dit artikel is een kritisch onderzoek naar de wijd verbreide consensus dat ten gevolge van de ‘post-fordistische’ transitie naar een kenniseconomie een duale samenleving dreigt waarin de sociale segmentatie loopt langs de scheidslijn tussen laag- en hooggeschoolden. Ten gevolge van deze consensus ontstaat het poMartin De Vliegherelitieke concept van de ‘actieve welvaartsstaat’ dat onder meer door hernieuwde investeringen in de democratisering van het hoger onderwijs de nieuwe sociale uitsluiting moet vermijden. Na een uitvoerige schets van deze consensus ondergraaf ik in paragraaf 2 de diagnose van de structurele achteruitgang van de laaggeschoolden op de  arbeidsmarkt  en  de  ‘definitieve voorkeur’  van  de  kenniseconomie voor de hooggeschoolden. In paragraaf 3 geef ik een methodologische kritiek op het empirisch onderzoek naar de oorzakelijke verbanden tussen informatietechnologie en de relatieve positie van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt. Tenslotte belicht ik een vaak over het hoofd geziene factor die de hooggeschoolden bevoordeelt.
       Dr. Martin De Vlieghere   

U kan hier een printervriendelijke word-versie downloaden
Overzicht.
1. De consensus in de literatuur en in de Europese politiek.
  • De verslechterde positie van de laaggeschoolden wordt veroorzaakt door de ICT-economie en moet worden opgelost door arbeidskostenverlaging en door meer investeringen in opleiding en in de democratisering van het hoger onderwijs.
  • Het poldermodel is op deze consensus gebouwd en boekt mooie tewerkstellingscijfers. In feite is dit een consensus tussen werknemers en werkgevers. De werknemers zijn tevreden met meer jobs en de werkgevers zijn blij met de loonkostbeheersing.
2. Waarom deze consensus fout is.
  • 2.1. De paradox van het poldermodel.
    • Verkeerde diagnose. Het poldermodel is geen oplossing voor het probleem zoals het zich in de industriële landen stelt. De positie van de laaggeschoolden is weliswaar verslechterd, maar het aantal vacatures en het aantal knelpuntvacatures voor laaggeschoolden is net zo sterk toegenomen als voor de hooggeschoolden. Deze werkloosheidsparadox uit zich anders binnen het poldermodel, maar daarom niet minder ernstig.
  • 2.2. De mythe van de kenniseconomie met hoge toegevoegde waarde.
    • Lonen met koopkracht kunnen alleen worden gefinancieerd uit toegevoegde waarde. Om de hoge koopkracht in de rijke landen te kunnen handhaven bij toenemende concurrentie met nieuwe industriële mogendheden, bieden de ICT-jobs een uitweg, zo heet het. In feite concurreren landen niet met elkaar en wordt de levensstandaard juist geholpen door goedkope invoer. Bovendien is er geen enkel bewijs dat ICT-jobs een hogere toegevoegde waarde hebben dan manuele en sociale jobs. Toegevoegde waarde is immers een functie van vraag en aanbod.
3. Rudimentaire micro-economie en gesofisticeerde macro-economie.
4. Waarom is de positie van de laaggeschoolden dan wel verslechterd?

Deze studie werd eerder gepubliceerd in "Ethiek en Maatschappij" 3e jaargang  Nr 4 - Academia press ISSN 1373-0975

1. De consensus in de literatuur en in de Europese politiek.

In de literatuur bestaat een brede consensus dat de groei van de ICT-industrie en de innovatie (in eerste instantie procesinnovatie veeleer dan productinnovatie) de relatieve vraag naar hooggekwalificeerd personeel doet toenemen ten nadele van laaggeschoolden. (Freeman & Soete, 1987; Lawrence & Slaughter, 1993; Welfens, 1999)  Op een vrije arbeidsmarkt zou dit leiden tot dalende relatieve lonen voor laaggeschoolden en een sterke toename van loonsverschillen (in de USA). Op meer rigide, door intersectorale akkoorden bepaalde arbeidsmarkten (in de EU), zou dit ertoe leiden dat de laaggeschoolden zichzelf uit de markt prijzen.

Daarop is de vrees gebaseerd dat de informatiemaatschappij een duale samenleving creëert waarin laaggeschoolden nauwelijks nog aan de bak kunnen komen en vervolgens marginaliseren. (Vandenbroucke, 2000: 151; Cantillon, 1999: 185) Beleidsmatig leidt dit tot een sterk engagement in de opleidingspoot van de actieve verzorgingsstaat. De verzorgingsstaat mag niet louter een vangnet zijn voor wie tijdelijk of permanent niet kan concurreren op de markt, maar moet mensen ook helpen zich terug op de markt te integreren. In een aantal West-Europese landen waaronder België en Nederland fungeren respectievelijk de werkloosheidsverzekering en de arbeidsongeschiktheidsverzekering in praktijk als langdurige opvang. Daardoor ligt de activiteitsgraad van de bevolking zeer laag. Vanuit de westerse arbeidsethiek wordt dit als een onhoudbaar probleem aangevoeld. Daarom is er een politieke consensus om zwaar te investeren in opleiding. Zowel het reguliere onderwijs als de beroepsopleidingen van de diensten voor arbeidsvoorziening worden gevraagd en krijgen de middelen om de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën (ICT) aan jongeren en werkzoekenden te leren. De literatuur herhaalt dat de informatiemaatschappij meer moet investeren in opleiding. (Freeman/Soete, 1987: 245-249, Welfens, 1999; Cantillon, 1999: 272)

In de jachtige turbotaal van de huidige economen en sociologen  heet het dat de ICT de economische verhoudingen drastisch verandert ten voordele van de productiefactor kennis. Het individu kan zich economisch alleen nog handhaven als het zich de ICT eigen maakt. Niet alleen de productie van kennis, maar ook de nieuwe middelen om informatie te verwerven zijn onontbeerlijk om zich op de concurrentiële markt te kunnen handhaven. Wie alleen nog zijn manuele arbeidskracht kan aanbieden, zal definitief worden uitgerangeerd.

De tweede pijler waarop de activering van de welvaartsstaat steunt, is het vermijden van de ‘werkloosheidsval’. De problematisering van het te kleine  verschil tussen vervangingsinkomens en lage lonen stoelt op een eenvoudige micro-economische redenering. Als economen spreken over de ‘werkloosheidsval’, dan bedoelen ze dat vele werklozen onvoldoende economische aansporingen krijgen om voor de openstaande betrekkingen te solliciteren. Een belangrijke factor in de motivatie van een individu om een aangeboden job te accepteren, is de materiële vooruitgang die het daarmee kan bereiken. In praktijk is werkloosheid in termen van de materiële waarden van het individu (inkomen, vrije tijd) vaak te prefereren boven een job die zo slecht betaald is dat eventuele meerverdienste tenietgedaan wordt door voor de hand liggende meeruitgaven verbonden aan professionele activiteit (mobiliteit, opvang kinderen, representatiekosten enzovoort). Dit is de fameuze ‘werkloosheidsval’.

Hier stelt zich inderdaad een structureel probleem. Een markteconomie stimuleert het individu om economisch te redeneren en te handelen. Naarmate men minder alert of minder doelrationeel handelt, verliest men economische beslissingsmacht (Von Mises, 1949). De werkloosheidsval betekent evenwel dat het berekenende individu langer werkloos blijft dan het individu dat zich minder als een homo oeconomicus gedraagt. De werkloosheidsval geeft doelrationaliteit met andere woorden een asociaal effect. Anders gesteld, indien mensen nauwkeuriger hun verschillende waarden tegenover elkaar zouden afwegen, dan zouden er, al het overige gelijkblijvend, meer werklozen zijn (meer mensen zouden de doelrationele keuze voor werkloosheid maken) in plaats van minder. Er van uitgaande dat werkloosheid een maatschappelijk probleem is en aangezien het zeer moeilijk is om de logica van de markt om te keren zodat mensen niet meer voor hun eigen belang ijveren, moet er iets aan de werkloosheidsval gedaan worden.

Vandaar dat een tweede pijler van de actieve welvaartsstaat erin bestaat de vervangingsinkomens relatief onaantrekkelijker te maken (uitkeringen relatief verlagen en/of strengere voorwaarden voor verkrijgen en behoud ervan). Werklozen worden gevraagd éénduidiger blijken van werkwilligheid te tonen en meer inspanningen te doen om zich aan de wisselende vraag op de arbeidsmarkt aan te passen.
 
Een minstens even voor de hand liggende oplossing zou nochtans een verhoging van de lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn.  Maar sinds het akkoord van Wassenaar  is er in Nederland een maatschappelijk draagvlak om via het centraal sociaal overleg langdurige loonmatiging vol te houden, ook nu de arbeidsmarkt met tekorten kampt. Vakbonden en werkgevers delen de prioriteit van jobintensieve groei via een beleid van arbeidskostbeheersing. De stijging van de arbeidskost blijft in Nederland sindsdien onder de economische groei. Zij worden daarin gesteund door de literatuur (Welfens, 1999; Lapp/Lehment, 1997). Ook de statistieken geven hen gelijk. Terwijl tussen 1990 en 1999 de arbeidskost in Nederland ten opzichte van het BNP met 1,4% gedaald is, daalde de werkloosheid tot 4,4%.

Dat is de basis voor de breed-maatschappelijke consensus en de ideologische unificatie die we zien in het zogenaamde poldermodel. Het overlegmodel waarbij centrale tripartite (representatieve vakbonden, werkgevers en overheid) akkoorden voorrang hebben op collectieve arbeidsovereenkomsten op bedrijfsniveau bestond vroeger ook al. Aan werknemerszijde kwam dit er op neer dat economische sterke (moeilijk vervangbare) werknemers een deel van hun potentiële vooruitgang opofferen voor zwakke werknemers (werknemers die goedkoop vervangbaar zijn of die niet nodig zijn voor winstgevende activiteiten). Er was dus reeds lang sprake van zeer verregaande solidariteit tussen sterke en zwakke werknemers en tussen sterke en zwakke economische sectoren.

De structuur van dit overlegmodel bleef onveranderd. Ook het resultaat van verregaande loonnivellering blijft bestaan. Hoewel gewaagde pogingen werden gedaan om het substantiële arbeidsrecht te vereenvoudigen (deregulering van arbeidscontracten of flexibilisering van de werknemer en afbouw van de sociale zekerheid), blijft het procedurele arbeidsrecht (representativiteit vakbonden, overlegplicht, hiërarchie en bindendheid van cao's) vrijwel ongewijzigd. Toch is sinds het akkoord van Wassenaar het Nederlandse overlegmodel van karakter veranderd. Dat komt door een wijziging van de inhoudelijke doelstelling van de vakbonden. Sinds de toenmalige voorzitter van de Federatie Nederlandse Vakbeweging Wim Kok besliste om werkgelegenheid prioritair te maken, is het sociaal overleg niet langer een politiek van compromissen, maar van eensgezindheid. De werkgevers zijn tevreden omdat de nationale competitiviteit wordt gevrijwaard door sociale rust en loonkostbeheersing (i.p.v. door rationaliseringen en herstructureringen). De vakbonden legitimeren hun akkoord met de stelling dat werkgelegenheid belangrijker is dan verhoging van de koopkracht van wie werk heeft. In feite komt de houding van de vakbonden erop neer dat zij helemaal niet proberen het onderste uit de kan te halen voor hun leden (en voor de niet-leden die onvermijdelijk door hen vertegenwoordigd worden).

 Het succes van het poldermodel doet vele auteurs afstappen van de klassieke leer dat de meest efficiënte collectieve arbeidsonderhandelingen op het niveau van de onderneming gebeuren. Het centralistische overlegmodel dat in het naoorlogse West-Europa arbeid lange tijd te duur maakte, is vanaf de jaren negentig in Nederland juist zeer krachtdadig aangewend om de ‘natuurlijke’ groei van de sociale bescherming en de lonen om te buigen. (Soskice, 1990; Mulder, 1993; Visser/Hemerijck, 1997)

De inspanningen op het vlak van ICT-vorming passen hierin naadloos. Om de werkloosheidsuitkeringen te activeren, moeten zij voorwaardelijk gekoppeld worden aan de bereidwilligheid van de uitkeringsgerechtigde, niet alleen om werk te zoeken, maar ook om zich bij te scholen. Vanuit een moraliteit van 'aangemoedigde zelfredzaamheid' investeert de actieve verzorgingsstaat proactief in verhoogde participatie in plaats van alleen voor opvang te zorgen bij uitsluiting. (Vandenbroucke, 2000: 138)

Literatuuranalyse, zowel bij de populistische auteurs (zie hoger, voetnoot 1) als bij de economen, leert dat telkens de volgende twee basisargumenten worden gecombineerd om tot de conclusie te komen dat de laaggeschoolden progressief uit de nieuwe economie verdwijnen. Ten eerste het macro-economische argument dat de gemiddelde loonkost voor laaggeschoolden te hoog is in verhouding tot de gemiddelde loonkost van hooggeschoolden. De ICT genereert interessante activiteiten met een hogere toegevoegde waarde. Zelfs indien deze ontwikkeling op zich de ondernemers niet aanzet om hun activiteiten te verschuiven ten nadele van de laaggeschoolden, dan nog dwingt de toenemende loonkostconcurrentie vanuit opkomende industriële mogendheden hen daartoe. Om deze redenering te volgen, maakt het geen verschil uit of men het afnemende aandeel van de ongeschoolden in de nationale welvaart wijt aan de internationale concurrentie met lagelonenlanden (Wood, 1994), dan wel volledig aan de technologiefactor. (Berman; Bound; Griliches, 1994; Cantillon, 1999) Als men van mening is dat de innovatie gedreven wordt door de internationale handel komt deze redenering hierop neer dat de rijke landen (met hoge arbeidskost) zich in de mondiale economie maar kunnen handhaven door de gemiddelde toegevoegde waarde van hun productie te verhogen. (Welfens, 1999: 152) Er zou dan een progressieve afname van de economische macht van de laaggeschoolden plaatsgrijpen. Verwacht wordt dat zonder activering van de welvaartsstaat in hogergenoemde zin, de laaggeschoolden hun welvaartspeil niet zullen kunnen handhaven terwijl de hooggeschoolden er blijven op vooruit gaan. Een duale samenleving dreigt. De scheiding loopt via de grens tussen ‘ICT-geletterden’ en ‘ICT-analfabeten’.

2. Waarom deze consensus fout is.

2.2. De paradox van het 'poldermodel'.

Het bewijsmateriaal voor deze consensus is overvloedig (Nickell/Bell, 1995; Machin/Van Reenen, 1998), zij het niet altijd éénduidig . Hoe genuanceerder het onderzoek, hoe onduidelijker het beeld. Van zodra men de arbeidskracht opdeelt in drie categorieën van opleidingsniveau  wordt het beeld zeer complex. Technologie blijkt in de jaren '80 en '90 in West-Duitsland de positie van de 'medium-skilled labor' te versterken ten nadele van de 'low-skilled' en de 'high-skilled'. (Fitzenberger, 1999) Dit komt evenwel niet overeen met de bevindingen van Lawrence en Slaughter (1993), eveneens voor wat betreft West-Duitsland. Zij vinden een positieve correlatie tussen de onderhandelingspositie van laaggekwalificeerden en de hooggekwalificeerden ten nadele van de gemiddeld gekwalificeerden. Leamer (1996) stelt dan weer voor de jaren '70 vast dat de technologie in het voordeel speelt van de hooggeschoolden ten nadele van de twee andere categorieën.

Een causaal verband leggen tussen goedkope invoer en ICT enerzijds en de verslechterde positie van laaggeschoolden anderzijds steunt op het Stolper-Samuelson theorema dat de relatieve factorprijzen (dus ook de lonen) afhangen van de relatieve productprijzen. (Stolper/Samuelson, 1941)  Men veronderstelt met andere woorden dat bepaalde lonen sneller dalen (of minder snel stijgen) dan andere omdat de producten waarvoor die lonen worden betaald, relatief in prijs dalen. Lonen van handarbeiders bijvoorbeeld zouden dalen omdat de prijzen van handarbeidintensieve producten dalen. Op basis van het onderscheid tussen handarbeiders en geschoolden vinden Lawrence (1994: 18-19) en Neven en Wyplosz (1996) evenwel geen verband tussen productprijzen en lonen. In West-Duitsland dalen de importprijzen het meest voor 'geschoolden-intensieve' producten. Goedkope invoer kan dus geen verklaring zijn voor de verbetering van de relatieve positie van de geschoolden. Integendeel, de import treft vooral de 'skill-intensive' industrieën. Ook voor Frankrijk en de V.S. vinden de onderzoekers geen empirische ondersteuning van een directe invloed van technologische innovatie op de verdeling van lonen over de hooggeschoolden en de laaggeschoolden .

Een ander argument voor meer investeringen in ICT-opleiding is de theorie van de capaciteit van de onderneming om informatie te absorberen. Om te kunnen profiteren van de steeds sneller toegankelijke informatie, heeft de onderneming 'computer-literate' personeel nodig. (Cohen/Levinthal, 1990 en Geroski/Machin/Van Reenen, 1993)
Dezelfde literatuur heeft evenwel geen aandacht voor eveneens gemakkelijk beschikbare statistieken over de openstaande vacatures naar opleidingsniveau. Daaruit blijkt dat de overgrote meerderheid van de moeilijk invulbare vacatures voor een opleidingsniveau onder hoger onderwijs is.  In Nederland is het aantal moeilijk invulbare beroepen met een gevraagd onderwijsniveau onder het hoger beroepsonderwijs bijna even sterk toegenomen als het totaal aantal moeilijk invulbare beroepen.

De verklaring is wellicht dat, hoewel op steeds meer niveau's het personeel inderdaad moet kunnen werken met ICT, dit geenszins hogere opleiding vereist. Het personeel kan op de werkplaats leren omgaan met ICT. Net zomin men hogere studies moet hebben gedaan om thuis van internet gebruik te maken, moet een magazijnier terug naar school vooraleer hij voorraden en bestellingen kan controleren, rapporteren en uitvoeren via electronisch netwerken.
Deze laatste vacaturecijfers zijn niet in tegenspraak met de cijfers over de kansen van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt. Er is alleen maar een schijnbare paradox. De literatuur laat na om deze paradox op te merken, laat staan te verklaren. Hoe komt het dat enerzijds de laaggeschoolden relatief oververtegenwoordigd zijn in de werkloosheidsstatistieken, terwijl anderzijds er een tekort is aan personeel zonder hoge opleiding? Dit is helemaal geen ingewikkeld verklaringsprobleem. De micro-economie heeft het antwoord direct klaar. De jobs voor laaggeschoolden bieden relatief lage remuneraties. Of nog: de persoonlijke arbeidsvoorwaarden van de laaggeschoolden liggen hoger dan de aangeboden arbeidsvoorwaarden.

Het is moeilijk vol te houden dat de hogergenoemde economen deze verklaring zouden ontkennen. Maar de draagwijdte ervan ontgaat hen blijkbaar. Zelden of nooit wordt opgemerkt dat het verlagen of het verstrengen van de voorwaarden van vervangingsinkomens, een zeer eenzijdige reactie is op het probleem van de werkloosheid. Men zou de werkloosheidsval net zo goed kunnen oplossen door de laagste lonen te verhogen. In het licht van de huidige tekorten aan laaggeschoold personeel is dat zelfs de voor de hand liggende en de marktconforme oplossing. De economen hebben dit blijkbaar niet door omdat ze vreemd genoeg nog steeds vasthouden aan de manifest onjuiste stelling dat de productiviteit van de laaggeschoolden te laag is in verhouding tot hun loonkost.

Het poldermodel heeft de werkloosheid alleen met succes kunnen bestrijden door een tekort aan personeel te veroorzaken. Hoe modern Nederland op vele vlakken ook is, het geroemde poldermodel zelf is een conservatief stelsel. Het is gericht op het minimaliseren van de marktkrachten die de lonen en de productiviteit verhogen. Het poldermodel is er dan ook niet alleen in geslaagd om gedurende lange tijd jobintensieve groei te realiseren, maar ook om de productiviteitstijging gedurende die periode veel lager te houden dan het Europese gemiddelde.  De groei wordt bijna volledig gerealiseerd door opgelegde bezuiniging waardoor de bestedingsquote afneemt (een groter gedeelte van de geproduceerde waarde wordt geherinvesteerd) en door toenemende arbeidsparticipatie. Een dergelijk model heeft extremere varianten in de geschiedenis: de Sovjet-Unie in de jaren vijftig en Zuid-Oost Azië in de jaren negentig.

Eenmaal een verder terugdringen van de bestedingen in verhouding tot de groei niet meer mogelijk is en de arbeidsreserves uitgeput zijn, zal ook de groei zelf verder onder het Europese gemiddelde vallen.

Dat daardoor bovendien een afhankelijkheid van loonmatiging ontstaat, is een gevaar waarvan de verantwoordelijke industriële, financiële en politieke elites blijkbaar voorlopig niet wakker liggen.  Indien de voornaamste handelspartners van Nederland hetzelfde beleid zouden beginnen voeren , dan kan het poldermodel alleen overleven door een nieuwe ronde van loonmatiging. Niet alleen de nominale voordelen van de economische groei gaan dan deels voor de werknemers verloren, ook de reële koopkracht van het geld daalt. Dat komt omdat de inlevering van de sterke werknemers onvermijdelijk de reeds schrijnende tekorten (in de gezondheidszorg en straks ook bij heel wat andere leveranciers) alleen maar erger maken. Indien de bevolking de reële verarming niet meer slikt en het poldermodel instort, ontstaat een recessie die altijd het gevaar inhoudt onbeheersbaar te zijn. Hoe langer men wacht met herstructureringen, hoe massaler zij zullen zijn op een latere datum.

Bovendien kan niemand ontkennen dat er in Nederland nog steeds een structurele 'mismatch' tussen werklozen en vacatures bestaat. Ondanks de onverhoopt lage werkloosheidscijfers, kan er geen sprake zijn van volledige tewerkstelling . Tegelijk is de arbeidsmarkt zwaar oververhit. Het poldermodel sluit per definitie de uitlaatklep van de loonstijgingen uit. Loonstijgingen mogen slechts de economische groei volgen. Door de aard van het poldermodel (centralistische loonbeheersing) kunnen de knelpuntberoepen niet aan relatieve aantrekkelijkheid winnen. Daarmee wordt ontkend dat lonen ten opzichte van elkaar sterk moeten kunnen fluctueren om oververhitting (tekorten die productiegroei tegenhouden) te kunnen tegengaan.

Het probleem van de genoemde 'mismatch' kan niet in macro-economische termen van nationale competitiviteit en conjunctuur worden geanalyseerd en verklaard. Voor sommige beroepen is er ook tijdens de hoogconjunctuur een overaanbod van geschikte kandidaten (bibliothecarissen, taalkundigen, economen, juristen, docenten), terwijl voor sommige andere beroepen de tekorten chronisch zijn en ook tijdens laagconjunctuur oververhitting kunnen veroorzaken (lassers, ingenieurs, paramedici).

De publieke investeringen in opleiding en (her)scholing van de arbeidskracht zijn niet alleen een krampachtige poging om de 'mismatch' op te lossen zonder beroep te moeten doen op marktkrachten. Ze zijn ook volledig misplaatst in het licht van de reële tekorten op de arbeidsmarkt.
Informatica is slechts één van de vele knelpuntberoepen. Behalve aan ingenieurs en gegradueerde verpleegkundigen zijn er zowel in Nederland als in Vlaanderen grote tekorten aan dakwerkers, loodgieters, overige paramedici, horeca-personeel, metsers, handlangers en lassers. Deze zijn allemaal beroepen die niet kunnen worden uitbesteed aan lagelonenlanden. Er is geen bijkomend onderzoek nodig om te weten te komen dat meer computers op school geenszins bijdragen tot een betere voorbereiding van de jongeren op het beroep van kelner. Juist omdat het om knelpuntberoepen gaat, ligt de toegevoegde waarde van deze beroepen hoog. Toegevoegde waarde is immers een functie van vraag en aanbod. Er is geen economische reden om prioriteit te geven aan ICT op het ogenblik dat vele andere sectoren net zo goed groeipotentieel hebben in functie van de preferenties van consumenten en patiënten.

2.2. De mythe van de kenniseconomie met hoge toegevoegde waarde.
Geen enkele statistiek kan bewijzen dat de loonkost in een bepaald land te hoog ligt in functie van de competitiviteit of in functie van volledige tewerkstelling. Lonen zijn de rijkdom van een land en ze worden gefinancierd uit toegevoegde waarde. De geaggregeerde toegevoegde waarde van een land kan men niet meten. In elk land zijn er teveel sectoren zonder marktprijzen om ze statistisch te negeren. Daarom kiezen de statistici voor een technische noodgreep. Zij maken de contrafactische veronderstelling dat de toegevoegde waarde in die sectoren gelijk is aan de lonen. Dit komt meestal neer op een schromelijke overschatting waardoor landen met een grote overheidssector over het algemeen opgeblazen BNP -cijfers hebben die niet overeenkomen met de reële rijkdom.

Het is nochtans wel degelijk de reële koopkracht die arbeid moet financieren. Weinigen willen werken voor symbolisch geld zonder koopkracht. Daarom is een ander probleem met de aggregatie van toegevoegde waarden dat niet alle economische activiteiten met toegevoegde waarde de levenskwaliteit doen toenemen. Sommige activiteiten dienen om problemen die er vroeger niet waren op te lossen.  Andere dringen zichzelf op ten gevolge van nieuwe normen die politiek gesteld worden zonder in de privé-huishoudingen als een vooruitgang aangevoeld worden. Als men bijvoorbeeld meer uitgeeft aan afvalverwerking, is het niet gezegd dat de consument zich daardoor rijker voelt. Ook de ICT-ontwikkelingen zelf kunnen een economische waarde hebben, zonder het gevoel van rijkdom te versterken. Stel bijvoorbeeld dat de volledige bestedingen van gezinnen en bedrijven aan ICT gebruikt worden in een poging de productiviteit van andere reeds bestaande waarden te verhogen. Stel bovendien dat dit voorlopig niet lukt (de ICT-kosten compenseren de besparingen) en dat de volledige economische groei overeenkomt met de bestedingen van bedrijven en gezinnen aan ICT, dan is er geen toename van de rijkdom. Om deze redenen is het mogelijk dat (inflatiegecorrigeerde) stijgende lonen de motivatie om te werken niet doet toenemen.

Ware het BNP een betrouwbare indicator, dan zou het mogelijk zijn om te voorspellen dat bepaalde gemiddelde loonkostontwikkelingen houdbaar zijn of niet. Maar zelfs dan weten we nog niet welke lonen te hoog zijn en welke niet.

Omdat de reële rijkdom van een land onmeetbaar is, neigen neoklassieke economen naar een verklaring van werkgelegenheidscijfers en conjunctuurschommelingen waaruit de factor toegevoegde waarde is weggelaten. Deze economen geven met andere woorden een cruciaal element van de micro-economische verklaring op in functie van verklaringen in termen van geaggregeerde en gemiddelde economische fenomenen. Op die manier krijgen we het hoger staande verhaal dat de laaggeschoolden zich in de rijke landen door hun gemiddelde lonen uit de markt prijzen.

Dit is evenwel alleen mogelijk als een land verzuimt om voordeel te halen uit de goedkope invoer van laaggeschoolde-arbeidsintensieve producten voor de ontwikkeling van nieuwe activiteiten en consumptie. Deze mogelijkheid verdwijnt gemakkelijk uit het zicht. Ten eerste bevestigen de cijfers grotendeels het eenvoudige verhaal dat goedkope invoer op de eerste plaats concurrentiële gevolgen heeft voor de laaggeschoolden. Ten tweede klopt dit beeld met het wijd verspreide misverstand dat een land zijn rijkdom alleen kan handhaven door zijn internationale concurrentiepositie te vrijwaren. In feite trekt men dan de vergelijking tussen een land en een afzonderlijk huishouden enerzijds te ver en anderzijds niet ver genoeg door. Als je een goedkopere leverancier vindt, hou je meer geld over voor andere dingen. Een producent houdt meer geld over voor lonen, winsten en investeringen; een consument houdt meer geld over voor andere consumptie. Dit voordeel kan men aggregeren. Het geldt evenzeer voor een volledig land. Goedkope invoer is een kans voor de verrijking van een land. Deze kans kan omgezet worden in nieuwe activiteiten die de positie van laaggeschoolden op de arbeidsmarkt vrijwaren of zelfs verbeteren.

Anderzijds trekt men de vergelijking tussen een land en een huishouden te ver door. Samen met de gemakkelijke identificatie van de ondernemingen die in problemen geraken ten gevolge van concurrentie uit de lagelonenlanden, creëert deze vergelijking de indruk dat een land moet concurreren met het buitenland. Vandaar de irrationele preoccupatie met de competitiviteit van een land.

Een land is evenwel niet in concurrentie met het buitenland, omdat een land geen onderneming is. Een verlies van nationale competitiviteit is maatschappelijk irrelevant omdat dit proces op zich niets zegt over de absolute rijkdom van een land. (Krugman, 1994: 249, 285-290; Krugman, 1996A: 36; Krugman, 1996B) Een land kan tegelijk verrijken en marktaandeel in de wereld verliezen.

Inmiddels verspreiden de voordelen van de goedkopere invoer zich immers over het hele land. Niet alleen de consument kan zijn kosten voor levensonderhoud drukken, ook de producent kan zijn productiekosten verlagen. Elke productiekostverlaging, hetzij door betere productiemethodes, hetzij door goedkopere leveranciers, maakt arbeid en kapitaal vrij voor nieuwe activiteiten. Tegelijk stijgt de koopkracht waardoor markten voor nieuwe producten ontstaan. Per saldo is de winst voor de samenleving groter dan het verlies voor de binnenlandse concurrenten van lagelonenlanden.

Bepaalde industrieën verliezen marktaandeel, zowel in termen van BNP als in termen van werkgelegenheid, juist door hun toenemende productiviteit. Rationalisering van de productie, deels dankzij buitenlandse goedkopere leveranciers en delocalisatie, genereert de koopkracht voor bijkomende consumptie. Dit proces zou zich ook voordoen zonder internationale handel, zij het minder snel. De 'industrie' in de traditionele zin, verloor tussen 1970 en 1990 in de USA 5,7 % van zijn aandeel in het BNP. Indien de Amerikaanse 'industrie' evenveel had geëxporteerd als het land 'industriële' producten had ingevoerd, zou deze daling slechts 14% lager geweest zijn (Krugman/Lawrence, 1994: 24). Belangrijker evenwel, is dat in dezelfde periode de Amerikaanse consument veel meer is beginnen uitgeven aan gezondheidszorg, toerisme, sport en entertainment. Deze nieuwe industrieën hebben zich maar kunnen ontwikkelen dankzij de economische inkrimping van de traditionele industrie. Net zomin wij minder moeten eten omdat de landbouw economisch verschrompelt, zullen wij minder met de auto kunnen rijden omdat de auto-industrie economisch marginaliseert.

Volgens het neoklassieke verhaal in termen van nationale competitiviteit daarentegen, zullen de rijke landen hun welvaart slechts kunnen handhaven door hun bevolking op te leiden voor jobs met ‘hoge toegevoegde waarde’. In deze laatste uitspraak is het begrip 'toegevoegde waarde' vaag en intuïtief geworden. De gevolgtrekking dat ICT-jobs een hogere toegevoegde waarde zouden hebben dan jobs voor ongeschoolden, mist een solide grond.  Er is geen enkele theorie krachtig genoeg om te voorspellen welk soort activiteiten in de toekomst de grootste toegevoegde waarde zullen realiseren. Dit zou immers veronderstellen dat ondernemersschap en markt vervangbaar zijn door wetenschap. De absurditeit van deze veronderstelling werd uitgebreid aan de kaak gesteld in het werk van Frank Knight (1921), Friedrich Hayek (1945), Ludwig Von Mises (1949) en Israel Kirzner (1977).

Als de vraag naar bepaalde ongeschoolde arbeid toeneemt bij gelijkblijvend aanbod, dan stijgt de toegevoegde waarde ervan. Indien de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers op microniveau bepalend zijn, dan stijgt de verloning van deze arbeid onvermijdelijk. Als bovendien de bereidheid afneemt om deze arbeid te doen, dan kunnen de schommelingen in verloning zeer groot zijn. Dit laatste fenomeen is verre van denkbeeldig. Jongeren in het bijzonder en werkzoekenden in het algemeen hebben subjectieve verwachtingen inzake arbeidsvoorwaarden. Deze verwachtingen worden niet bepaald door politieke inschattingen van de 'nationale competitiviteit'. Dergelijke inschattingen kunnen het stemgedrag beïnvloeden, maar niet de individuele berekeningen om het eigen welzijn te maximaliseren. Niemand is bereid zijn looneisen te matigen omdat de regering heeft gezegd dat de gemiddelde loonkost te hoog is.

Dit doet geen afbreuk aan andere sociale invloeden op de subjectieve normen die individuen zichzelf stellen. De grootste sociale invloed oefenen de inkomens in de 'peer-group' van de betrokkene uit.   Daar op lange termijn de inkomens stijgen, is het normaal dat ook de tewerkgestelden in de oude beroepen hun verwachtingen in de hoogte bijstellen. Slechts in het geval dat deze beroepen vervangbaar zijn of aan de lagelonenlanden uitbesteed kunnen worden, gaat deze ontwikkeling gepaard met arbeidsuitstoot. De ICT-economie verandert evenwel zeer weinig aan de behoefte aan verzorgend personeel, bouwvakkers, horecapersoneel, personeel voor de (plaatselijke) warme bakker. Voorlopig wordt de ICT evenmin gebruikt voor verhoging van de arbeidsproductiviteit in het onderwijs.

Daarnaast blijven nog vele andere, moeilijk in kaart te brengen, beroepen voor laaggeschoolden cruciaal voor de hedendaagse economie. Hun relatieve economische belang kan onverwacht stijgen afhankelijk van de specifieke noden van de verschillende productieprocessen. Omdat alle productieprocessen elkaar overlappen (De Vlieghere, 1994), is zelfs geen korte-termijn planning van de beroepsinkomensdistributie in functie van het afstemmen van de vraag op het aanbod mogelijk. Omdat bovendien de exogene parameters van de economie (demografie, nieuwe ziektes, grondstoffenvoorraden, klimaat) veranderlijk zijn, moet de economie zich voortdurend aanpassen. Aangezien de mens niet zichzelf kan aanpassen via natuurlijke selectie (kindersterfte wordt niet meer aanvaard als aanpassingsmethode), moet de economie zich aanpassen. Dit kan maar door het vrijmaken van productiefactoren uit bestaande activiteiten. Als de productie van die activiteiten niet altijd mag krimpen (gevaar voor dalende welvaart), moet dit gebeuren door productiviteitsverhogingen (door technische productieprocesinnovatie en goedkope invoer).
Elke innovatie veroorzaakt evenwel onoverzichtelijke onevenwichten. Een ogenschijnlijk kleine technische verbetering kan een hele sector toeleveringsbedrijven wegvagen. (Schumpeter, 1939) Tegelijk ontstaan nieuwe bedrijfjes met een voor anderen ondoorzichtelijke organisatie, waardoor de concurrentie laag en de winstmarges hoog zijn. Hoge winsten worden juist gemaakt op basis van kennis die anderen (nog) niet hebben. Daardoor is het onmogelijk (en binnen een vrije-markteconomie zelfs logisch onmogelijk) om vanuit een theoretisch standpunt te beslissen welke beroepen in de toekomst de meeste toegevoegde waarde zullen hebben. Als dit in het algemeen waar is, dan kan men natuurlijk ook niet weten of de hooggeschoolden de ‘winnaars’ van de toekomst zullen zijn.

3. Rudimentaire micro-economie en gesofisticeerde macro-economie.

Om een betere diagnose te stellen van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt ten gevolge van de informatierevolutie, moeten twee veel voorkomende methodologische fouten worden vermeden. Een statistische samenloop van omstandigheden wordt te gemakkelijk geïdentificeerd met een causaal verband. Meer bepaald botsen we in de literatuur voortdurend op het verband tussen gemiddelde arbeidskosten en geaggregeerde werkgelegenheid alsof het een causaal verband betrof (3.1.).  Een andere methodologische fout is het onvoldoende historisch en epistemologisch analyseren van het concept ‘kennis’.  Kennis is altijd reeds een productiefactor geweest. De technologische informatierevolutie verandert wellicht niets aan het relatieve gewicht van de kennisfactor in de economie (3.2.).

3.1. Het probleem van de loonkost verkeerd begrepen.

In tegenstelling tot de invloedrijke maar oppervlakkige auteurs als Lester Thurow en James Ingram, sommige beleidsgerichte onderzoekers als Bea Cantillon en enkele sensatiebeluste journalisten , extrapoleren de meeste onderzoekers hun bevindingen niet naar de toekomst. Hoewel de ICT tijdelijk drastische verschuivingen in de inkomensverdeling kan teweeg brengen, is het steeds riskant om te veronderstellen dat recente trends zich ook in de toekomst zullen doorzetten. Omdat een groot deel van de vraag naar hooggeschoolden komt van de expansie van hoogtechnologische bedrijven, is het gevaar groot dat de hooggeschoolden ook de eerste slachtoffers zullen zijn wanneer verkeerde investeringen geliquideerd moeten worden. Momenteel zijn we getuige van een race naar monopolieposities op het internet, wat een overspannen vraag naar informatici teweegbrengt.  Te verwachten valt dat van zodra de geldschieters niet langer wensen te wachten op de eerste winsten, slechts een handvol van de internetbedrijven zullen overleven Op het ogenblik dat H.G. Wells (1895) een toekomstbeeld projecteerde waarin de arbeiders tot slaven zouden zijn gereduceerd, waren de lonen in Engeland reeds lang weer aan het stijgen. Wells had een trend van enkele decennia daarvóór wiskundig doorgetrokken naar de toekomst. Zoals in het midden van de 19de eeuw het inkomensaandeel van het kapitaal drastisch toenam ten nadele van de arbeid, maar daarna weer inkromp, zo kan het ook gaan met het inkomensaandeel van de hooggeschoolden in de 21ste eeuw.

Toch springen ook de empirische onderzoekers nog onzorgvuldig om met het beschikbare bewijsmateriaal. Ten eerste is er het algemene probleem dat de neoklassieke economie ter wille van de kwantificeerbaarheid van de macro-economische fenomenen de micro-economische factoren verwaarlozen. De hoger vermelde auteurs kunnen tot voorbeeld gelden. Zij steunen zwaar op het vermeende causale verband tussen gemiddeld loon en geaggregeerde werkgelegenheid. De laaggeschoolden prijzen zichzelf uit de markt omdat hun toegevoegde waarde ook in lage-lonen landen kan worden gerealiseerd.  Een feitelijke stijging van de werkloosheid van laaggeschoolden wordt meteen opgevat als een ‘structurele daling van de vraag naar ongeschoolde arbeid’ (Welfens, 1999: 169) en wordt zonder meer ten laste van de kennisintensieve technologische revolutie gelegd. (Cantillon, 1999: 267)

De statistisch significante correlatie tussen deze twee macro-economische waarden spreekt evenwel de micro-economie tegen. Volgens de micro-economie zijn lonen niets anders dan prijzen die stijgen bij tekorten en dalen bij overschotten. De genoemde auteurs zijn ergens onderweg in hun onderzoek vergeten dat prijzen maar hun functie als dusdanig kunnen vervullen (de functie van het continu corrigeren van tekorten en overschotten) indien zij ten opzichte van elkaar vrij kunnen fluctueren. Het is daarom onwaar dat werkloosheid (een overschot aan arbeidskrachten) kan worden veroorzaakt door de gemiddelde loonkost.

Het probleem van de loonrigiditeit is nochtans niet geheel onbekend bij de neoklassieke economen. Welfens bijvoorbeeld behandelt het probleem (1999: 177-178) naar aanleiding van de vaststelling dat groei-economieën met een beleid van loonmatiging oververhitten. Deze landen lijden niet aan loonkrapte, maar aan onvoldoende loondivergentie. Door een te hoog bodemtarief voor de laagste salarissen gekoppeld aan een politiek van algemene loonmatiging is er een gebrek aan intersectorale mobiliteit (van slecht presterende sectoren naar groeisectoren) en is ook intrasectoraal de ongeschoolde arbeid te duur omdat het loonverschil kleiner is dan het productiviteitsverschil.

Zowel bij Welfens als bij Cantillon blijft deze uitleg evenwel gevangen zitten in het stramien van de tegenstelling geschoold-ongeschoold.  De lonen van de laagstgeschoolden zouden te hoog zijn in vergelijking met hun productiviteit.  Als men toch moet erkennen dat lonen ten opzichte van elkaar moeten kunnen divergeren al naargelang de tekorten en de overschotten, dan is niet meer duidelijk waarom de remuneratieverdeling afhankelijk zou zijn van de scholingsgraad.

Ook wanneer men de arbeidsmarkt opdeelt in laaggeschoolden, middelhooggeschoolden en hooggeschoolden, blijft het macro-economische verband tussen loonkost en werkgelegenheid nietszeggend. Dat is de tweede tekortkoming in de literatuur: categorieën die omwille van de meetbaarheid abstractie maken van de relevante verschillen. De onderzoekers hanteren steevast een rudimentaire conceptuele tegenstelling tussen hooggekwalificeerden of hooggeschoolden en laaggeschoolden. Door hun operationaliteit zijn deze concepten rigide en hebben ze een beperkte, zoniet onbestaande, toepasbaarheid. Om bijvoorbeeld de ‘mismatch’ op de arbeidsmarkt tussen vacatures en werkzoekenden te verklaren of zelfs maar te beschrijven, zijn deze categorieën volledig ongeschikt. Net zomin als de factor arbeid is de subfactor laaggeschoolde arbeid een homogene massa onderling uitwisselbare arbeidskrachten. Vraag en aanbod staan hoogstens in een complex verband met scholingsgraad. Binnen de categorie van laaggeschoolden situeren zich de grootste verschillen in verloning. Of iemand als verkoper succes heeft in een bloeiende sector, heeft ongeveer niets te maken met zijn diploma. Omgekeerd kunnen doctors in het spijkerschrift ongeschikt zijn voor de arbeidsmarkt. Over het algemeen kan men stellen dat beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet in meetbare categorieën kan worden gevat.

Economen zijn verkeerd bezig wanneer zij statistieken laten prevaleren op micro-economische verklaringen. Statistische testprocedures kunnen nooit exacte experimentele tests vervangen, noch logische evidenties opzij zetten. Meestal zullen economen dat ook niet doen. Geen enkele hoeveelheid statistische overeenkomsten tussen renteverhogingen en stijgingen van de bestedingsquote kan een econoom van de gedachte afbrengen dat de rente een kostenelement is dat de investeerder matigt in zijn projecten en de consument motiveert om zijn consumptie uit te stellen. Als de statistische gegevens in strijd zijn met fundamentele theorema's die in de micro-economie zijn getest, gaat men meestal over tot het verfijnen van de metingen. Dit wil zeggen dat men bijkomende statistische onderverdelingen invoert. De vraag is evenwel hoeveel verfijningen  nodig zijn als het aantal relevante factoren virtueel onbeperkt is. De economie is een complex fenomeen waarin op het eerste gezicht onooglijke factoren zoals modeverschijnselen en zelfs individuele keuzes via positieve non-lineaire causaliteit (het zogenaamde 'vlindereffect') de geaggregeerde en gemiddelde uitkomsten fundamenteel kunnen beïnvloeden. Omdat het begrip 'statistische significantie' bovendien gebaseerd is op de nooit bewezen intuïtie van de normale verdeling , kan men toeval nooit met zekerheid uitsluiten. Omdat tenslotte zelfs het uitsluiten van toeval nog geen uitsluitsel geeft over een mogelijke verborgen derde factor , kan de econoom niet anders dan zijn metingen verfijnen zolang ze niet in overeenstemming te brengen zijn met zijn theorieën. De vraag is wat de zin van een dergelijke onderzoeksprocedure is. Het onderzoek zou economischer verlopen zonder de poging om theorieën te onderbouwen met statistische gegevens.

Economische 'wetmatigheden' duiden hoe dan ook geen dwingende causale verbanden aan. Zelfs de meest elementaire economische wetten zeggen alleen wat bevorderend of belemmerend is voor een bepaald fenomeen. Een stijging van de prijs is bevorderend voor het aanbod en belemmerend voor de vraag. Slechts bij wijze van spreken zegt men dat een prijsverhoging de vraag verlaagt en het aanbod verhoogt. Letterlijk genomen, wordt die uitspraak continu en op grote schaal weerlegd.

Kortom, statistische correlaties zijn geen causale verbanden en verklaren dus niets. Veeleer is een opvallende statistische correlatie in de economische sfeer een reden om te zoeken naar een verklaring in het arsenaal van reeds gekende micro-economische verbanden.

Scholingsgraad figureert als factor zelden in een micro-economische verklaring van werkloosheid omdat er geen doelrationele logica zit achter een koppeling van loonhoogte aan niveau’s van diploma’s. Een werkgever kan wel binnen een bepaalde specialisatie een rationele voorkeur hebben voor een hoger diploma en daarop is wellicht de hoop van econometristen gestoeld dat scholingsgraad en loonhoogte een zekere statistische overeenkomst vertonen.  De vraag is evenwel niet waarom laaggeschoolden gemiddeld minder verdienen of meer werkloos zijn dan hooggeschoolden, maar waarom dit verschil de laatste decennia toeneemt.

3.2. De kenniseconomie verkeerd begrepen.

Het soort kennis dat een ondernemer een voorsprong op de markt geeft, hoeft niets met spitstechnologie te maken te hebben. Het gaat om kennis van de vraag op de markt (niet alleen de consumptieve vraag, maar ook de vraag van potentiële industriële klanten) en om de kennis hoe daar bedrijfsmatig op in te spelen. Bovendien is deze kennis grotendeels van impliciete aard. De kennisleer is sinds het werk van Michael Polanyi (1967) en Michael Oakeshott (1975) in toenemende mate van het logisch-empirisme afgeweken op het punt dat kennis per definitie ook expliciet mededeelbaar is. Specialisten en praktijkmensen blijken niet in staat te zijn hun technische kennis in handleidingen en cursussen te reproduceren. Handleidingen zijn gebrekkige noodmiddelen die nooit het leren in de praktijk kunnen vervangen. Expliciet-reproduceerbare kennis is slechts één van de cognitieve types in elke organisatie. (Lam, 2000) Een nieuwsoortig bedrijf met hoge winstmarges hoeft dus evenmin een hooggeschoold bestuur, laat staan een hooggeschoold personeel te hebben.
Dat kennis de winstmarges bepaalt, is met andere woorden een bijna universeel gegeven. Zelfs in de middeleeuwse corporatistische economie steunden de winsten op bepaalde kennismonopolies.
De grote doorbraken op het gebied van de ICT laten ons geenszins toe te besluiten dat laaggeschoolden zichzelf uit de markt prijzen en dat de samenleving meer moet investeren in ICT-opleiding. Als bovendien blijkt dat de moderne economieën momenteel kampen met zware tekorten aan laaggeschoold personeel, moet de oorzaak van de relatieve oververtegenwoordiging van laaggeschoolden in de werkloosheidsstatistieken elders worden gezocht.


3.3. Terug naar een micro-economische verklaring van werkloosheid.
We moeten daarom terugvallen op de meest algemene en abstracte micro-economische verklaring van werkloosheid die er is. Er is nooit een tekort aan werk. Werkloosheid wordt veroorzaakt door een te geringe bereidheid om de aangeboden job te aanvaarden. Daaruit volgt dat de verwachte arbeidsvoorwaarden hoger zijn dan de aangeboden arbeidsvoorwaarden. Een eenvoudige formulering is dat de werkloze lui is. Door de zware morele connotaties ervan, gaan in het woord 'lui' de transitieve of historisch-variabele betekenissen verloren. Luiheid zou in deze context een historisch relatief begrip moeten zijn in plaats van een (inter)persoonlijk relatief begrip. We zijn allemaal lui in verhouding tot onze voorouders. Niemand is vandaag nog bereid om hun jobs te doen. Niet alleen zijn we niet meer bereid om in gevaarlijke mijnen te werken, bovendien willen we niet meer voltijds voor een ander werken voor minder dan het equivalent van een woning met modern comfort, een eigen auto en internetaansluiting.

'Luiheid' is in verband met werklozen een weinig verhelderende woord omdat verkeerdelijk gesuggereerd wordt dat werklozen luier zouden zijn dan werkenden. Omdat het om die reden ook een politiek incorrecte term is geworden, verdwijnt helaas ook het causaal verband tussen de economisch-rationele berekening van de individuele werkzoekende en werkloosheid grotendeels uit het gezichtsveld. De 'werkloosheidsval' is weliswaar voorwerp van studie, maar wordt veel te eng in termen van maandinkomens opgevat. Niet alleen de werkloze die zijn besteedbaar inkomen niet kan verhogen door een job te aanvaarden, zit in de werkloosheidsval. Elke werkloze maakt een schatting van wat een mogelijke job hem oplevert in termen van levenskwaliteit. Daarin spelen parameters als vrije tijd, moeilijkheidsgraad van herscholing, afstand woon-werkverkeer en verwachte werkomstandigheden een rol. Indien bijvoorbeeld de factor vrije tijd voor de betrokkene van groot belang is, dan telt niet zozeer het maandloon, maar wel het uurloon. De werkgever moet niet alleen betalen voor het levensonderhoud, maar in vele gevallen ook voor de tijd van haar werknemer. Om een overeenkomst met een werknemer te kunnen sluiten moet het uurloon minstens even hoog zijn als wat een bijkomend uur vrije tijd voor die werknemer waard is.

Hieruit vloeit voort dat de werkloosheidsproblematiek steeds verkeerd wordt gesteld. Niemand is geïnteresseerd in een job tegen om het even welke voorwaarden. Bijna iedereen is er op uit om een zo aantrekkelijk mogelijke job te vinden. De uitdaging is niet om zoveel mogelijk werkgelegenheid te creëren, maar om steeds betere werkgelegenheid te creëren.

Ook een werkloze voor wie het marginaal nut van vrije tijd gering is, of die zelfs een teveel aan vrije tijd heeft, zal niet tegen om het even welke prijs werk aanvaarden. Elke werkzoekende heeft een gevoel van eigen (economische) waarde. Dit gevoel wordt beïnvloed door de sociale omgeving. Als de modale job aantrekkelijker wordt, zal ook de werkloze zijn normen verhogen. Om die reden is het onmogelijk om in een democratie de werkloosheid op te lossen. Zolang mensen vrij zijn om hun eigen economische waarde te bepalen, zullen er misrekeningen zijn. Zolang de slavernij niet terug wordt ingevoerd, kan er geen perfecte afstemming zijn van de verwachte en de aangeboden arbeidsvoorwaarden. Bij sterke economische groei, verschuift de werkloosheid naar hogere kwaliteitsniveau's van de arbeidsvoorwaarden. Vooruitgang lijkt mij dan ook niet samen te hangen met een oplossing van de werkloosheid, maar met de verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Streven naar een definitieve oplossing van de werkloosheid is een revolte tegen de menselijke conditie en tegen de condities van de democratie.

4. Waarom is de relatieve positie van de laaggeschoolden dan wel verslechterd?

De vraag naar hooggeschoolden kan gemakkelijk door de overheid worden gestimuleerd, los van de evoluties van de productprijzen. Het aandeel in de tewerkstelling van de non-profit sector (overheid, persoonlijke zorg) steeg in Nederland tussen 1960 en 1987 van 21% tot 30%. Sindsdien is er een stagnatie. Belangrijker is evenwel de verschuiving van beroepen binnen de sectoren. Het aandeel in de tewerkstelling van manuele en technische beroepen in industrie en transport daalde van 43% in 1960 tot 23% in 1994. Het aandeel van de diensten-, administratieve en commerciële functies steeg in dezelfde periode van 30% tot 38%. Het aandeel van specialisten, wetenschappers en managers verdubbelde van 12% tot 25%.

Deze verschuivingen kunnen zijn veroorzaakt door politieke beslissingen. Deze gaan niet altijd tegen de markt in. Er zijn namelijk grote werkgevers die geen of in beperkte mate marktprijzen hebben (de persoonlijke zorgsector, onderwijs, gesubsidieerd theater en kunsten, sociale huisvesting, gesubsidieerde wetenschap). Daarnaast legt de overheid rapporteringsverplichtingen aan commerciële bedrijven op ter wille van controle, veiligheid en sociale zekerheid die onder marktomstandigheden voor een groot stuk eveneens zouden ontstaan. Toch kan men zich niet van de indruk ontdoen dat de onderhandelingspositie van de hooggeschoolden kunstmatig door politiek ingrijpen op de arbeidsmarkt wordt opgeblazen. Niet alleen de overheidssteun aan en de belastingaftrekken voor onderzoek en ontwikkeling drijven de vraag naar hooggeschoolden op (Chennells/Van Reenen, 2000: 28), ook het managementsmodel van de samenleving kan een overwaardering van de hooggeschoolden te weeg brengen. Het gevaar is niet denkbeeldig dat een bestuurderselite ontstaat, die om haar positie te vrijwaren van externe concurrentie, er alle belang bij heeft dat de bevolking begint geloof te hechten aan de ideologie dat de moderne samenleving steeds meer management vergt. Technocratieën stellen zich niet alleen in de plaats van democratie en markt, maar veroorzaken tegelijk een diarree van bestuursfuncties in industrie (inclusief non-profit sectoren), kredietwezen en overheid die de werkdruk van de andere werknemers verhoogt en hun besteedbare inkomen verlaagt. Op het ogenblik dat er ernstige tekorten zijn aan personeel, moet men zelfs niet meer wachten om een reële daling van de levenskwaliteit te zien. De reële koopkracht daalt niet alleen door lagere lonen, maar ook door de lange wachtlijsten in de huisvesting, de gezondheidszorg en de overige persoonlijke zorgsectoren ten gevolge van een tekort aan arbeidskracht. Omdat reële koopkracht alleen gefinancierd kan worden uit reële toegevoegde waarde, gaat de inefficiënte tewerkstelling onvermijdelijk ten koste van de relatieve positie van de andere werknemers.

Als steeds meer middelen naar het toenemende aantal bestuurdersfuncties gaan, moet er bespaard worden op de andere functies. In eerste instantie neemt daardoor de werkdruk in die andere functies toe. De onaantrekkelijkheid van een beroep ten gevolge van de werkdruk zou kunnen worden gecompenseerd door een hoger salaris. Omdat de actieve welvaartsstaat ervan uitgaat dat arbeidskostverlaging meer jobs creëert, moeten evenwel ook de reeds zwaar belaste werknemers inleveren. Op die manier kunnen knelpuntberoepen ontstaan waarin een spiraal van werkdrukverhogingen, laattijdige vacatures en gebrek aan sollicitanten dramatische tekorten veroorzaakt. De enige uitlaatklep voor de actieve welvaartsstaat is de ‘alternatieve financiering’ van de sociale zekerheid. De arbeidskost kan verlagen zonder de netto-salarissen te verlagen door een gedeelte van de lasten op arbeid af te wentelen op hogere accijnzen en nieuwe milieutaksen. De stijgende levensduurte ten gevolge van deze ‘alternatieve financieringen’ komt evenwel opnieuw neer op een genivelleerde inlevering van alle werknemers, zonder onderscheid naar de graad van schaarste van hun arbeid. 

In plaats van de factoren technologie en internationale handel als de uitdaging van de actieve welvaartsstaat te zien, zou het beter zijn om de interne kapitaalstromen van de winstgevende naar de verlieslatende tewerkstelling onder de loepe te nemen. Anders zou de actieve welvaartsstaat wel eens juist in de kaart van de hooggeschoolden ten koste van de laaggeschoolden kunnen spelen.

Besluit.

Het uitgangspunt van de actieve welvaartsstaat is dat er een duale samenleving dreigt waarbij de scheidslijn loopt langs de scholingsgraad. De kloof tussen hoger en lager geschoolden wordt de overheersende sociale segmentatie, zo heet het dan.

Empirisch bestaat er geen twijfel over dat er de laatste twee decennia zowel in de USA als in de EU maatschappelijke verdelingsprocessen van uiteenlopende aard bestaan die voor de hoger opgeleiden gunstig verlopen (die hun relatieve positie op de arbeidsmarkt verbeteren). Men moet zich evenwel nog altijd afvragen van welke aard deze maatschappelijke verdelingsprocessen zijn en of zij van blijvende aard zijn. Voor de voorstanders van de actieve welvaartsstaat is het een uitgemaakte zaak dat de informatiemaatschappij duurzaam de laaggeschoolden uitstoot. Deze conclusie is voorbarig.

We moeten vooreerst opletten met extrapolaties van tendenzen naar de toekomst. Een tendens kan al voorbij zijn vooraleer men haar goed en wel herkent en een samenloop van omstandigheden kan toevallig zijn. We kunnen onmogelijk bewijzen dat de nieuwe economie theoretische en schoolse kennis hoger waardeert dan de grotendeels impliciete kennis bij manuele en sociale vaardigheden. Dat de statistische achteruitgang van laaggeschoolden samenvalt met de spectaculaire doorbraak van ICT-investeringen is op zichzelf nog geen causaal verband. Deze samenloop van omstandigheden kan toevallig zijn of een ander causaal verband verbergen.  Een causaal verband is bijvoorbeeld de relatie tussen factorprijzen zoals de lonen en productprijzen. Maar kennisintensieve producten worden sneller goedkoper dan kennisarme producten. De statistische robuuste relatie tussen computergebruik en loonhoogte binnen de bedrijven bewijst ook niets. Misschien krijgen de best betaalde werknemers ook het beste materiaal. De causale relatie is dan omgekeerd. Of het is toeval. Hoewel statistisch even indrukwekkend, zal niemand beweren dat het verband tussen loonhoogte en potloodgebruik causaal is. Kortom, er zijn geen duidelijke redenen waarom de verzorgingsstaat meer zou moeten investeren in opleiding. Hoewel de laatste 20 jaar een duidelijke relatieve achteruitgang van de laaggeschoolden vast te stellen valt, is geen causaal verband met de informatisering van de economie aantoonbaar

Als we niet zeker zijn dat een algmene verschuiving in de rol en de aard van kennis in de ICT-economie de positie van de laaggeschoolden verslechtert, moeten we opletten dat we geen mogelijke andere verklaringen over het hoofd zien. Een alternatieve verklaring is de politieke voorkeur voor hooggeschoolden. Indien dit de doorslaggevende factor is, dan wordt de actieve welvaartsstaat een selffulfilling prophecy: hij creëert zelf het probleem dat hij geacht wordt op te lossen. Meer opleiding, meer hoger onderwijs, meer planning en meer pseudo-non-profit activiteiten verslechteren de positie van de laaggeschoolden.

Het gelijktijdige tekort aan en de hoge werkloosheidsgraad van laaggeschoolden wijst niet op een lagere waardering voor de laaggeschoolden omwille van het Stolper/Samuelson-effect, maar op rigiditeiten en interventies op de arbeidsmarkt. De verdeling van de remuneraties op de arbeidsmarkt signaleert onvoldoende de reële tekorten en overschotten.

Tekorten zouden normaal gepaard moeten gaan met prijsstijgingen.  De actieve welvaartsstaat opteert evenwel voor een algemene looninlevering waardoor de lonen niet meer ten opzichte van elkaar kunnen fluctueren.  Paradoxaal genoeg kan dat systematisch ten koste van de laaggeschoolden gaan.  Dat gebeurt wanneer de actieve welvaartsstaat met zijn opvallende prioriteit voor opleiding en onderwijs, ook via politieke sturing een grotere rol aan hooggeschoolde bestuurders en wetenschappers toebedeelt.  Dat kan door de bedrijven en instellingen steeds strengere veiligheids-, rapporterings-, milieu- en sociale normen op te leggen.  Vanuit de ideologie van de deskundige maakbaarheid van de samenleving verdringen de 'symbolische werknemers' de effectieve werknemers.  De middelen voor deze laatsten dalen dan, waardoor de oververhitting (overwerk en wachtlijsten) geen uitlaatklep kan vinden in de aantrekking van gedemotiveerde werklozen door middel van hogere lonen.

De stap is dan zeer klein om onder 'activering' van de welvaartsstaat de verlaging van de werkloosheidsuitkeringen te verstaan. Al dan niet ongewild, creëert de actieve welvaartsstaat dan het probleem dat het zelf pretendeert op te lossen: een duale samenleving van een groeiende groep goedbetaalde 'symbolische werknemers' die een krimpende groep laaggeschoolden steeds harder doet werken voor steeds minder inkomen.  De sociale dualiteit loopt alleen maar langs de grens tussen laaggeschoolden en hooggeschoolden, omdat de theoretici en de politici van de actieve welvaartsstaat kiezen voor de overwaardering van de hooggeschoolden.

De traditionele uitleg dat een vrije arbeidsmarkt de waardering van de laaggeschoolden verlaagt en een rigide arbeidsmarkt de werkloosheid van de laaggeschoolden doet toenemen, gaat niet meer op. De 'paradoxale arbeidsmarkt' wijst in een andere richting. Een hoog wettelijk minimumloon bijvoorbeeld, kan moeilijk aan de basis liggen van de hoge werkloosheid onder laaggeschoolden als er tegelijk een tekort is aan laaggeschoolden. 
De intellectuele en politieke consensus dat de kennismaatschappij een uitdaging is voor de verzorgingsstaat, is gebaseerd op overvloedig, maar misleidend cijfermateriaal en op een gebrek aan genuanceerde theorievorming. 'Activering' van de verzorgingsstaat zoekt de oorzaken voor de sociale uitsluiting op de verkeerde plaats. Zij staart zich blind op de beperkte scholing van een groot deel van de arbeidskracht en vergeet dat ook de kunstmatige vraag naar managers een factor is van de verschuivingen op de arbeidsmarkt.

Dr. Martin De Vlieghere

Literatuur.


BERMAN, E.; BOUND, J.; GRILICHES, Z. (1994), Changes in the Demand for Skilled Labor within US Manufacturing: Evidence from Annual Survey of Manufactures, in: Quarterly Journal of Economics, Vol. 109, N° 2, 367-397.

BOVENBERG, A.L. (1997), CPB Report 1997/2, Centraal Planbureau, 's Gravenhage.

BOUABDALLAH, K.; GREENAN, N.; VILLEVAL, M.-C. (1999), Le biais technologique: Fondements, mesures et tests empirique, in: Revue Française d’Economie, Vol. 14, N° 1, 171-227.

BURNHAM, J. (1941), The Managerial Revolution, Penguin, London.

CANTILLON, B. (1999), (red.), De welvaartsstaat in de kering, Pelckmans, Kapellen.

COHEN, W.M./LEVINTHAL, D.A. (1990), Absorptive-Capacity - A New Perspective on Learning and Innovation, in:
administrative science quarterly, Vol. 35, N° 1, 128-152.

DESJONQUERES, T.; MACHIN, S.; VAN REENEN, J. (1999), Another Nail in the Coffin? Or Can the Trade Based Explanation of Changing Skill Structures be Resurrected?, in: Scandinavian Journal of Economics, Vol. 101, N° 4, 533-554.

DE VLIEGHERE, M.; A Reappraisal of Friedrich A. Hayek’s Cultural Evolutionism, in: Economics and Philosophy, Vol. 10, N° 2, 285-304.

DINARDO, J.; PISCHKE, J.S. (1997), The Returns to Computer Use Revisited: Have Pencils Changed the Wage Structure Too?, in: Quarterly Journal of Economics, Vol. 112, N° 1, 291-303.

FITZENBERGER, B. (1999), International Trade and the Skill Structure of Wages and Employment in West Germany, in: Jahrbücher f. Nationalökonomie u. Statistik, Vol. 219/1+2.

FORRESTER, V. (1997), De terreur van de economie (oorspr.: L'horreur économique), Ambo, Baarn.

FREEMAN, C./SOETE, L. (1987), Technical Change and Full Employment, Basil Blackwell, Oxford/New York.

GEROSKI, P.; MACHIN, S.; VAN REENEN, J. (1993), The Profitability of Innovating Firms, in: Rand Journal of Economics, Vol. 24, N° 2, 198-211.

HAYEK, F.A. (1945), The Uses of Knowledge in Society, reprinted in: Individualism and Economic Order, Routledge, London, 1980.

KIRZNER, I. (1973), Competition and Entrepreneurship, University of Chicago Press, Chicago, 1973.

KNIGHT, F. (1921), Risk, Uncertainty, and Profits, University of Chicago Press, Chicago.

KRUGMAN, P. (1994), Peddling Prosperity - Economic Sense and Nonsense in the Age of Diminished Expectations, W.W. Norton, New York/Londen.

KRUGMAN, P. (1996A), Pop Internationalism, M.I.T., Cambridge (Mass.).

KRUGMAN, P. (1996B), Making sense of the Competitiveness Debate, in: Oxford Review of Economic Policy, Vol. 12, N° 3, 17-25.

KRUGMAN, P./LAWRENCE, R.Z. (1994), Trade, Jobs, and Wages, in: Scientific American,

LAM, A. (2000), Tacit knowledge, organizational learning and Societal Institutions: An Integrated Framework, in: Organization Studies, Vol. 21, N° 3, 487-513.

LAPP, S.; LEHMENT, H. (1997), Lohnzurückhaltung und Beschäftigung in Deutschland und den Vereinigten Staaten, Die Weltwirtschaft, Heft 1, 67-83.

LAWRENCE, R.Z. (1994), Trade, Multinationals and Labor. National Bureau of Economic Research,

LAWRENCE, R.Z.; SLAUGHTER, M.J.; HALL, R.E.; DAVIS, S.J.; TOPEL, R.H. (1993), international-trade and american wages in the 1980s - giant sucking sound or small hiccup, in: Brookings papers on economic activity, Brookings Institute, Washington (D.C.), Vol. 2, 161-226.

LEAMER, E.E. (1996), In Search of Stolper-Samuelson Effects on U.S. Wages, in: S. Collins (ed.), Imports, Exports, and the American Worker, The Brookings Institution, Washington (D.C.).

MACHIN, S.; VAN REENEN, J. (1998), Technology and Changes in Skill Structure: Evidence from Seven OECD Countries, in: Quarterly Journal of Economics, Vol. 113, N° 4, 1215-1244.

MACHIN, S.; RYAN, A.; VAN REENEN, J. (1996), Technology and Changes in Skill Structure: Evidence from an International Panel of Industries, Discussion Paper N° 297, London School of Economics, London.

MARTIN, H.-P.; SCHUMANN, H. (1997), Globalisering - De wereld in verval (oorspr. Titel: Die Globalisierungsfalle. Der Angriff auf Demokratie und Wohlstand), Elmar, Rijswijk.

MULDER, C.B. (1993), Wage-Moderating Effects of Corporatism: Decentralized Versus Centralized Wage Setting in a Union, Firm, Government Context, The Manchester School of Economic and Social Studies, Vol. 61, 287-306.

NEVEN, D./WYPLOSZ, C. (1996), Relative Prices, Trade, and Restructuring in European Industry, Centre for Economic Policy Research, Londen.

NICKELL, S.; BELL, B. (1995), The Collapse in the Demand for the Unskilled and Unemployed across the OECD, in: Oxford Review of Economic Policy, Vol. 11, N° 1, 40-62.

OAKESHOTT, M. (1975), On Human Conduct, Clarendon Press, Oxford, editie 1991.

POLANYI, M. (1967), The Tacit Dimension, Routledge & Kegan Paul, London.

SCHUMPETER, J. (1939), Business Cycles: A Theoretical, Historical, and Statistical Analysis of the Capitalist Process, McGraw-Hill, New York.

STOLPER, W.F.; SAMUELSON, P.A. (1941), Protection and Real Wages, editie Edward Elgar, Aldershot, 1995.

SOSKICE, D. (1990), Wage Determination: The Changing Role of Institutions in Advanced Industrialized Countries, in: Oxford Review of Economic Policy, 6 (4), 42-60.

CHENNELLS, L.; VAN REENEN, J. (2000), Has Technology Hurt Less Skilled Workers? Working Paper Series N° W99/27, The Institute for Fiscal Studies, London.

VISSER, J./HEMERIJCK, A. (1997), A Dutch Miracle - Job Growth, Welfare Reform and Corporatism in the Netherlands, Amsterdam University Press.

VANDENBROUCKE, F. (2000), Op zoek naar een redelijke utopie : de actieve welvaartsstaat in perspectief , Garant, Leuven.

VON MISES, L. (1949), Human Action, third revised edition, Contemporary Books, Chicago, 1966.

WELLS, H.G., The Time Machine, Dent, London, 1996.

WELFENS, P.J.J. (1999), Globalization of the Economy, Unemployment and Innovation, Springer, Berlin/Heidelberg.

WOOD, A. (1994), North-South Trade, Employment and Inequality : Changing Fortunes in a Skill-Driven World, Clarendon press, Oxford.
 SAMENVATTING.
Summary - The labor market challenges of the information age and the premature answer of the ‘active welfare state’. The countries that have the means to invest in information and communication technology (ICT) must heed a development toward a dual society with a large minority of low-qualified people who cannot keep up with the new job-requirements. Statistics confirm that unskilled personnel is vulnerable in the ICT-economy. This confirmation however is highly misleading. The political consensus of activating the welfare state in order to avoid a social rift between the ICT-literate and –illiterate people is based on a theoretically weak and naive interpretation of the facts. Moreover, I find that the literature blatantly disregards certain other facts in order to maintain a simplistic explanation of the supposedly relative weak position of unskilled personnel on the labour market. More in particular, the statistics on job vacancies according to required level of education suggest a lack of unskilled personnel. The only way to explain the paradox that there is at the same time a shortage and a high number of unemployed low qualified personnel is a purely micro-economic explanation. However, the most commonly known micro-economic explanation of this paradox is insufficient. It seems that economists selectively use only one micro-economic principle, in conjunction with for the purpose unavoidably crude macro-economic (statistic) testing, in order not to endanger the myth of the ‘new economy’ that makes the low-qualified personnel redundant.



 


 
france

      News from Brussels' leading think-tank..
 

WorkForAll is een onafhankelijke en  pluralistische denktank. We onderzoeken sociale modellen en structuren op hun efficiëntie in de realisatie van sociale objectieven. Los van ideologie onderzoeken we het succes van beleidstypes in hun realisatie van werkgelegenheid, welvaart, solidariteit en individuele vrijheid.
  
 
The Path To Sustainable Growth
Lessons From 20 Years Growth Differentials In Europe
Martin De Vlieghere, Paul Vreymans

Samenvatting:      Terwijl de rest van de wereld floreert als zelden voorheen, hinkt de Europese economie hopeloos achterop. Hoge productiviteit, technologisch niveau en kennis en uitzonderlijke arbeidsethiek halen niks uit. De groei is ook merkwaardig verschillend: Frankrijk, Duitsland en Italië stagneren evengoed als de scandinavische landen Denemarken, Zweden en Finland. Allen wonnen minder dan 44% voorspoed in de laatste 20 jaar. Ierland groeide 4 keer sneller, en werd met 169% welvaartsdgroei in diezelfde 20 jaar het 2° rijkste land van Europa, en slaagde erin banen te creëren voor allen.

Buitensporige overheids-inmenging is de hoofdoorzaak van Europa's zwakke prestaties. De overmaatse publieke sector is in hoge mate onpoductief, en doet de volledige productiviteitswinsten van de Privé-sector en zijn uitzonderlijke prestaties volledig te niet.  Europa kan zijn sociaal-economische prestaties verbeteren door de Ierse succesformules over te nemen: Inkrimping van de overheidsuitgaven, terugschroeven van de bureaucratie en verschuiving van de belastingsdruk van inkomen op consumptie. Dit boek beschrijft waarom de Lissabon-Agenda en decennia lang Keynesiaanse vraagstimulering en inflatoire monetaire politiek hebben gefaald. Het boek ontwikkelt een alternatief en haalbare aanbod-strategie en doeltreffende methodes voor een menselijk en financieel duurzame groei.

Dit boek leest als een stap-voor-stap handleiding voor economische herstel. Het is een data-referentie voor studenten en politici met interesse voor groei, sociale zekerheid, en sociale modellen. Het is een klassieker voor economisten die bezorgd zijn over de excesieve overheid, over de lage productiviteit in de openbare sector, en voor ouders die zich zorgen maken om hun de dalende levensstandaard en om de toekomst van hun  kinderen.
the path to sustainable growth

free download here

Vindt U deze info belangrijk?
Link ons op Uw web-site aub. Dank  U


Google
Web This Site
Opmerkingen of suggesties?
Mail ons aub op:

paul.vreymans@workforall.net