|
|
|
|
Kennismaatschappij
en actieve welvaartsstaat.
Bedreigt
de informatisering de positie van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt?
Dit artikel is een kritisch onderzoek
naar de
wijd verbreide consensus dat ten gevolge van de ‘post-fordistische’
transitie naar een kenniseconomie een duale samenleving dreigt waarin
de sociale segmentatie loopt
langs de scheidslijn tussen laag- en
hooggeschoolden. Ten gevolge van deze
consensus ontstaat het po litieke
concept van de ‘actieve welvaartsstaat’ dat onder meer door hernieuwde
investeringen in de
democratisering van het hoger onderwijs de nieuwe
sociale uitsluiting moet vermijden. Na een uitvoerige schets van deze
consensus ondergraaf ik in paragraaf 2 de diagnose van de structurele
achteruitgang van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt
en de
‘definitieve voorkeur’ van de kenniseconomie voor de hooggeschoolden.
In paragraaf 3 geef ik een methodologische kritiek op het empirisch
onderzoek naar de oorzakelijke verbanden tussen informatietechnologie
en de relatieve positie van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt.
Tenslotte belicht ik een vaak over het hoofd geziene factor die de
hooggeschoolden bevoordeelt.
|
|
Overzicht.
1. De consensus in de
literatuur en in de Europese politiek.
- De
verslechterde positie van de laaggeschoolden wordt veroorzaakt door de
ICT-economie en moet worden opgelost door arbeidskostenverlaging en
door meer investeringen in opleiding en in de democratisering van het
hoger onderwijs.
- Het
poldermodel is op deze consensus gebouwd en boekt mooie
tewerkstellingscijfers. In feite is dit een consensus tussen werknemers
en werkgevers. De werknemers zijn tevreden met meer jobs en de
werkgevers zijn blij met de loonkostbeheersing.
2. Waarom deze consensus
fout is.
- 2.1. De paradox van het
poldermodel.
- Verkeerde
diagnose. Het poldermodel is geen oplossing voor het probleem zoals het
zich in de industriële landen stelt. De positie van de
laaggeschoolden
is weliswaar verslechterd, maar het aantal vacatures en het aantal
knelpuntvacatures voor laaggeschoolden is net zo sterk toegenomen als
voor de hooggeschoolden. Deze werkloosheidsparadox uit zich anders
binnen het poldermodel, maar daarom niet minder ernstig.
- 2.2. De mythe van de
kenniseconomie met hoge toegevoegde waarde.
- Lonen
met koopkracht kunnen alleen worden gefinancieerd uit toegevoegde
waarde. Om de hoge koopkracht in de rijke landen te kunnen handhaven
bij toenemende concurrentie met nieuwe industriële mogendheden,
bieden
de ICT-jobs een uitweg, zo heet het. In feite concurreren landen niet
met elkaar en wordt de levensstandaard juist geholpen door goedkope
invoer. Bovendien is er geen enkel bewijs dat ICT-jobs een hogere
toegevoegde waarde hebben dan manuele en sociale jobs. Toegevoegde
waarde is immers een functie van vraag en aanbod.
3. Rudimentaire
micro-economie en gesofisticeerde macro-economie.
4. Waarom is de positie van
de laaggeschoolden dan wel verslechterd?
Deze studie werd eerder gepubliceerd in "Ethiek en
Maatschappij" 3e jaargang Nr 4 - Academia press ISSN 1373-0975
1. De consensus in
de literatuur en in de Europese politiek.
In de literatuur bestaat een brede consensus dat de groei van de
ICT-industrie en de innovatie (in eerste instantie procesinnovatie
veeleer dan productinnovatie) de relatieve vraag naar
hooggekwalificeerd personeel doet toenemen ten nadele van
laaggeschoolden. (Freeman & Soete, 1987; Lawrence & Slaughter,
1993; Welfens, 1999) Op een vrije arbeidsmarkt zou dit leiden tot
dalende relatieve lonen voor laaggeschoolden en een sterke toename van
loonsverschillen (in de USA). Op meer rigide, door intersectorale
akkoorden bepaalde arbeidsmarkten (in de EU), zou dit ertoe leiden dat
de laaggeschoolden zichzelf uit de markt prijzen.
Daarop is de vrees gebaseerd dat de informatiemaatschappij een duale
samenleving creëert waarin laaggeschoolden nauwelijks nog aan de
bak kunnen komen en vervolgens marginaliseren. (Vandenbroucke, 2000:
151; Cantillon, 1999: 185) Beleidsmatig leidt dit tot een sterk
engagement in de opleidingspoot van de actieve verzorgingsstaat. De
verzorgingsstaat mag niet louter een vangnet zijn voor wie tijdelijk of
permanent niet kan concurreren op de markt, maar moet mensen ook helpen
zich terug op de markt te integreren. In een aantal West-Europese
landen waaronder België en Nederland fungeren respectievelijk de
werkloosheidsverzekering en de arbeidsongeschiktheidsverzekering in
praktijk als langdurige opvang. Daardoor ligt de activiteitsgraad van
de bevolking zeer laag. Vanuit de westerse arbeidsethiek wordt dit als
een onhoudbaar probleem aangevoeld. Daarom is er een politieke
consensus om zwaar te investeren in opleiding. Zowel het reguliere
onderwijs als de beroepsopleidingen van de diensten voor
arbeidsvoorziening worden gevraagd en krijgen de middelen om de nieuwe
informatie- en communicatietechnologieën (ICT) aan jongeren en
werkzoekenden te leren. De literatuur herhaalt dat de
informatiemaatschappij meer moet investeren in opleiding.
(Freeman/Soete, 1987: 245-249, Welfens, 1999; Cantillon, 1999: 272)
In de jachtige turbotaal van de huidige economen en sociologen
heet het dat de ICT de economische verhoudingen drastisch verandert ten
voordele van de productiefactor kennis. Het individu kan zich
economisch alleen nog handhaven als het zich de ICT eigen maakt. Niet
alleen de productie van kennis, maar ook de nieuwe middelen om
informatie te verwerven zijn onontbeerlijk om zich op de
concurrentiële markt te kunnen handhaven. Wie alleen nog zijn
manuele arbeidskracht kan aanbieden, zal definitief worden
uitgerangeerd.
De tweede pijler waarop de activering van de welvaartsstaat steunt, is
het vermijden van de ‘werkloosheidsval’. De problematisering van het te
kleine verschil tussen vervangingsinkomens en lage lonen stoelt
op een eenvoudige micro-economische redenering. Als economen spreken
over de ‘werkloosheidsval’, dan bedoelen ze dat vele werklozen
onvoldoende economische aansporingen krijgen om voor de openstaande
betrekkingen te solliciteren. Een belangrijke factor in de motivatie
van een individu om een aangeboden job te accepteren, is de
materiële vooruitgang die het daarmee kan bereiken. In praktijk is
werkloosheid in termen van de materiële waarden van het individu
(inkomen, vrije tijd) vaak te prefereren boven een job die zo slecht
betaald is dat eventuele meerverdienste tenietgedaan wordt door voor de
hand liggende meeruitgaven verbonden aan professionele activiteit
(mobiliteit, opvang kinderen, representatiekosten enzovoort). Dit is de
fameuze ‘werkloosheidsval’.
Hier stelt zich inderdaad een structureel probleem. Een markteconomie
stimuleert het individu om economisch te redeneren en te handelen.
Naarmate men minder alert of minder doelrationeel handelt, verliest men
economische beslissingsmacht (Von Mises, 1949). De werkloosheidsval
betekent evenwel dat het berekenende individu langer werkloos blijft
dan het individu dat zich minder als een homo oeconomicus gedraagt. De
werkloosheidsval geeft doelrationaliteit met andere woorden een
asociaal effect. Anders gesteld, indien mensen nauwkeuriger hun
verschillende waarden tegenover elkaar zouden afwegen, dan zouden er,
al het overige gelijkblijvend, meer werklozen zijn (meer mensen zouden
de doelrationele keuze voor werkloosheid maken) in plaats van minder.
Er van uitgaande dat werkloosheid een maatschappelijk probleem is en
aangezien het zeer moeilijk is om de logica van de markt om te keren
zodat mensen niet meer voor hun eigen belang ijveren, moet er iets aan
de werkloosheidsval gedaan worden.
Vandaar dat een tweede pijler van de actieve welvaartsstaat erin
bestaat de vervangingsinkomens relatief onaantrekkelijker te maken
(uitkeringen relatief verlagen en/of strengere voorwaarden voor
verkrijgen en behoud ervan). Werklozen worden gevraagd
éénduidiger blijken van werkwilligheid te tonen en meer
inspanningen te doen om zich aan de wisselende vraag op de arbeidsmarkt
aan te passen.
Een minstens even voor de hand liggende oplossing zou nochtans een
verhoging van de lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn.
Maar sinds het akkoord van Wassenaar is er in Nederland een
maatschappelijk draagvlak om via het centraal sociaal overleg
langdurige loonmatiging vol te houden, ook nu de arbeidsmarkt met
tekorten kampt. Vakbonden en werkgevers delen de prioriteit van
jobintensieve groei via een beleid van arbeidskostbeheersing. De
stijging van de arbeidskost blijft in Nederland sindsdien onder de
economische groei. Zij worden daarin gesteund door de literatuur
(Welfens, 1999; Lapp/Lehment, 1997). Ook de statistieken geven hen
gelijk. Terwijl tussen 1990 en 1999 de arbeidskost in Nederland ten
opzichte van het BNP met 1,4% gedaald is, daalde de werkloosheid tot
4,4%.
Dat is de basis voor de breed-maatschappelijke consensus en de
ideologische unificatie die we zien in het zogenaamde poldermodel. Het
overlegmodel waarbij centrale tripartite (representatieve vakbonden,
werkgevers en overheid) akkoorden voorrang hebben op collectieve
arbeidsovereenkomsten op bedrijfsniveau bestond vroeger ook al. Aan
werknemerszijde kwam dit er op neer dat economische sterke (moeilijk
vervangbare) werknemers een deel van hun potentiële vooruitgang
opofferen voor zwakke werknemers (werknemers die goedkoop vervangbaar
zijn of die niet nodig zijn voor winstgevende activiteiten). Er was dus
reeds lang sprake van zeer verregaande solidariteit tussen sterke en
zwakke werknemers en tussen sterke en zwakke economische sectoren.
De structuur van dit overlegmodel bleef onveranderd. Ook het resultaat
van verregaande loonnivellering blijft bestaan. Hoewel gewaagde
pogingen werden gedaan om het substantiële arbeidsrecht te
vereenvoudigen (deregulering van arbeidscontracten of flexibilisering
van de werknemer en afbouw van de sociale zekerheid), blijft het
procedurele arbeidsrecht (representativiteit vakbonden, overlegplicht,
hiërarchie en bindendheid van cao's) vrijwel ongewijzigd. Toch is
sinds het akkoord van Wassenaar het Nederlandse overlegmodel van
karakter veranderd. Dat komt door een wijziging van de inhoudelijke
doelstelling van de vakbonden. Sinds de toenmalige voorzitter van de
Federatie Nederlandse Vakbeweging Wim Kok besliste om werkgelegenheid
prioritair te maken, is het sociaal overleg niet langer een politiek
van compromissen, maar van eensgezindheid. De werkgevers zijn tevreden
omdat de nationale competitiviteit wordt gevrijwaard door sociale rust
en loonkostbeheersing (i.p.v. door rationaliseringen en
herstructureringen). De vakbonden legitimeren hun akkoord met de
stelling dat werkgelegenheid belangrijker is dan verhoging van de
koopkracht van wie werk heeft. In feite komt de houding van de
vakbonden erop neer dat zij helemaal niet proberen het onderste uit de
kan te halen voor hun leden (en voor de niet-leden die onvermijdelijk
door hen vertegenwoordigd worden).
Het succes van het poldermodel doet vele auteurs afstappen van de
klassieke leer dat de meest efficiënte collectieve
arbeidsonderhandelingen op het niveau van de onderneming gebeuren. Het
centralistische overlegmodel dat in het naoorlogse West-Europa arbeid
lange tijd te duur maakte, is vanaf de jaren negentig in Nederland
juist zeer krachtdadig aangewend om de ‘natuurlijke’ groei van de
sociale bescherming en de lonen om te buigen. (Soskice, 1990; Mulder,
1993; Visser/Hemerijck, 1997)
De inspanningen op het vlak van ICT-vorming passen hierin naadloos. Om
de werkloosheidsuitkeringen te activeren, moeten zij voorwaardelijk
gekoppeld worden aan de bereidwilligheid van de uitkeringsgerechtigde,
niet alleen om werk te zoeken, maar ook om zich bij te scholen. Vanuit
een moraliteit van 'aangemoedigde zelfredzaamheid' investeert de
actieve verzorgingsstaat proactief in verhoogde participatie in plaats
van alleen voor opvang te zorgen bij uitsluiting. (Vandenbroucke, 2000:
138)
Literatuuranalyse, zowel bij de populistische auteurs (zie hoger,
voetnoot 1) als bij de economen, leert dat telkens de volgende twee
basisargumenten worden gecombineerd om tot de conclusie te komen dat de
laaggeschoolden progressief uit de nieuwe economie verdwijnen. Ten
eerste het macro-economische argument dat de gemiddelde loonkost voor
laaggeschoolden te hoog is in verhouding tot de gemiddelde loonkost van
hooggeschoolden. De ICT genereert interessante activiteiten met een
hogere toegevoegde waarde. Zelfs indien deze ontwikkeling op zich de
ondernemers niet aanzet om hun activiteiten te verschuiven ten nadele
van de laaggeschoolden, dan nog dwingt de toenemende
loonkostconcurrentie vanuit opkomende industriële mogendheden hen
daartoe. Om deze redenering te volgen, maakt het geen verschil uit of
men het afnemende aandeel van de ongeschoolden in de nationale welvaart
wijt aan de internationale concurrentie met lagelonenlanden (Wood,
1994), dan wel volledig aan de technologiefactor. (Berman; Bound;
Griliches, 1994; Cantillon, 1999) Als men van mening is dat de
innovatie gedreven wordt door de internationale handel komt deze
redenering hierop neer dat de rijke landen (met hoge arbeidskost) zich
in de mondiale economie maar kunnen handhaven door de gemiddelde
toegevoegde waarde van hun productie te verhogen. (Welfens, 1999: 152)
Er zou dan een progressieve afname van de economische macht van de
laaggeschoolden plaatsgrijpen. Verwacht wordt dat zonder activering van
de welvaartsstaat in hogergenoemde zin, de laaggeschoolden hun
welvaartspeil niet zullen kunnen handhaven terwijl de hooggeschoolden
er blijven op vooruit gaan. Een duale samenleving dreigt. De scheiding
loopt via de grens tussen ‘ICT-geletterden’ en ‘ICT-analfabeten’.
2. Waarom deze consensus
fout is.
2.2. De paradox van
het 'poldermodel'.
Het bewijsmateriaal voor deze consensus is overvloedig (Nickell/Bell,
1995; Machin/Van Reenen, 1998), zij het niet altijd
éénduidig . Hoe genuanceerder het onderzoek, hoe
onduidelijker het beeld. Van zodra men de arbeidskracht opdeelt in drie
categorieën van opleidingsniveau wordt het beeld zeer
complex. Technologie blijkt in de jaren '80 en '90 in West-Duitsland de
positie van de 'medium-skilled labor' te versterken ten nadele van de
'low-skilled' en de 'high-skilled'. (Fitzenberger, 1999) Dit komt
evenwel niet overeen met de bevindingen van Lawrence en Slaughter
(1993), eveneens voor wat betreft West-Duitsland. Zij vinden een
positieve correlatie tussen de onderhandelingspositie van
laaggekwalificeerden en de hooggekwalificeerden ten nadele van de
gemiddeld gekwalificeerden. Leamer (1996) stelt dan weer voor de jaren
'70 vast dat de technologie in het voordeel speelt van de
hooggeschoolden ten nadele van de twee andere categorieën.
Een causaal verband leggen tussen goedkope invoer en ICT enerzijds en
de verslechterde positie van laaggeschoolden anderzijds steunt op het
Stolper-Samuelson theorema dat de relatieve factorprijzen (dus ook de
lonen) afhangen van de relatieve productprijzen. (Stolper/Samuelson,
1941) Men veronderstelt met andere woorden dat bepaalde lonen
sneller dalen (of minder snel stijgen) dan andere omdat de producten
waarvoor die lonen worden betaald, relatief in prijs dalen. Lonen van
handarbeiders bijvoorbeeld zouden dalen omdat de prijzen van
handarbeidintensieve producten dalen. Op basis van het onderscheid
tussen handarbeiders en geschoolden vinden Lawrence (1994: 18-19) en
Neven en Wyplosz (1996) evenwel geen verband tussen productprijzen en
lonen. In West-Duitsland dalen de importprijzen het meest voor
'geschoolden-intensieve' producten. Goedkope invoer kan dus geen
verklaring zijn voor de verbetering van de relatieve positie van de
geschoolden. Integendeel, de import treft vooral de 'skill-intensive'
industrieën. Ook voor Frankrijk en de V.S. vinden de onderzoekers
geen empirische ondersteuning van een directe invloed van
technologische innovatie op de verdeling van lonen over de
hooggeschoolden en de laaggeschoolden .
Een ander argument voor meer investeringen in ICT-opleiding is de
theorie van de capaciteit van de onderneming om informatie te
absorberen. Om te kunnen profiteren van de steeds sneller toegankelijke
informatie, heeft de onderneming 'computer-literate' personeel nodig.
(Cohen/Levinthal, 1990 en Geroski/Machin/Van Reenen, 1993)
Dezelfde literatuur heeft evenwel geen aandacht voor eveneens
gemakkelijk beschikbare statistieken over de openstaande vacatures naar
opleidingsniveau. Daaruit blijkt dat de overgrote meerderheid van de
moeilijk invulbare vacatures voor een opleidingsniveau onder hoger
onderwijs is. In Nederland is het aantal moeilijk invulbare
beroepen met een gevraagd onderwijsniveau onder het hoger
beroepsonderwijs bijna even sterk toegenomen als het totaal aantal
moeilijk invulbare beroepen.
De verklaring is wellicht dat, hoewel op steeds meer niveau's het
personeel inderdaad moet kunnen werken met ICT, dit geenszins hogere
opleiding vereist. Het personeel kan op de werkplaats leren omgaan met
ICT. Net zomin men hogere studies moet hebben gedaan om thuis van
internet gebruik te maken, moet een magazijnier terug naar school
vooraleer hij voorraden en bestellingen kan controleren, rapporteren en
uitvoeren via electronisch netwerken.
Deze laatste vacaturecijfers zijn niet in tegenspraak met de cijfers
over de kansen van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt. Er is alleen
maar een schijnbare paradox. De literatuur laat na om deze paradox op
te merken, laat staan te verklaren. Hoe komt het dat enerzijds de
laaggeschoolden relatief oververtegenwoordigd zijn in de
werkloosheidsstatistieken, terwijl anderzijds er een tekort is aan
personeel zonder hoge opleiding? Dit is helemaal geen ingewikkeld
verklaringsprobleem. De micro-economie heeft het antwoord direct klaar.
De jobs voor laaggeschoolden bieden relatief lage remuneraties. Of nog:
de persoonlijke arbeidsvoorwaarden van de laaggeschoolden liggen hoger
dan de aangeboden arbeidsvoorwaarden.
Het is moeilijk vol te houden dat de hogergenoemde economen deze
verklaring zouden ontkennen. Maar de draagwijdte ervan ontgaat hen
blijkbaar. Zelden of nooit wordt opgemerkt dat het verlagen of het
verstrengen van de voorwaarden van vervangingsinkomens, een zeer
eenzijdige reactie is op het probleem van de werkloosheid. Men zou de
werkloosheidsval net zo goed kunnen oplossen door de laagste lonen te
verhogen. In het licht van de huidige tekorten aan laaggeschoold
personeel is dat zelfs de voor de hand liggende en de marktconforme
oplossing. De economen hebben dit blijkbaar niet door omdat ze vreemd
genoeg nog steeds vasthouden aan de manifest onjuiste stelling dat de
productiviteit van de laaggeschoolden te laag is in verhouding tot hun
loonkost.
Het poldermodel heeft de werkloosheid alleen met succes kunnen
bestrijden door een tekort aan personeel te veroorzaken. Hoe modern
Nederland op vele vlakken ook is, het geroemde poldermodel zelf is een
conservatief stelsel. Het is gericht op het minimaliseren van de
marktkrachten die de lonen en de productiviteit verhogen. Het
poldermodel is er dan ook niet alleen in geslaagd om gedurende lange
tijd jobintensieve groei te realiseren, maar ook om de
productiviteitstijging gedurende die periode veel lager te houden dan
het Europese gemiddelde. De groei wordt bijna volledig
gerealiseerd door opgelegde bezuiniging waardoor de bestedingsquote
afneemt (een groter gedeelte van de geproduceerde waarde wordt
geherinvesteerd) en door toenemende arbeidsparticipatie. Een dergelijk
model heeft extremere varianten in de geschiedenis: de Sovjet-Unie in
de jaren vijftig en Zuid-Oost Azië in de jaren negentig.
Eenmaal een verder terugdringen van de bestedingen in verhouding tot de
groei niet meer mogelijk is en de arbeidsreserves uitgeput zijn, zal
ook de groei zelf verder onder het Europese gemiddelde vallen.
Dat daardoor bovendien een afhankelijkheid van loonmatiging ontstaat,
is een gevaar waarvan de verantwoordelijke industriële,
financiële en politieke elites blijkbaar voorlopig niet wakker
liggen. Indien de voornaamste handelspartners van Nederland
hetzelfde beleid zouden beginnen voeren , dan kan het poldermodel
alleen overleven door een nieuwe ronde van loonmatiging. Niet alleen de
nominale voordelen van de economische groei gaan dan deels voor de
werknemers verloren, ook de reële koopkracht van het geld daalt.
Dat komt omdat de inlevering van de sterke werknemers onvermijdelijk de
reeds schrijnende tekorten (in de gezondheidszorg en straks ook bij
heel wat andere leveranciers) alleen maar erger maken. Indien de
bevolking de reële verarming niet meer slikt en het poldermodel
instort, ontstaat een recessie die altijd het gevaar inhoudt
onbeheersbaar te zijn. Hoe langer men wacht met herstructureringen, hoe
massaler zij zullen zijn op een latere datum.
Bovendien kan niemand ontkennen dat er in Nederland nog steeds een
structurele 'mismatch' tussen werklozen en vacatures bestaat. Ondanks
de onverhoopt lage werkloosheidscijfers, kan er geen sprake zijn van
volledige tewerkstelling . Tegelijk is de arbeidsmarkt zwaar
oververhit. Het poldermodel sluit per definitie de uitlaatklep van de
loonstijgingen uit. Loonstijgingen mogen slechts de economische groei
volgen. Door de aard van het poldermodel (centralistische
loonbeheersing) kunnen de knelpuntberoepen niet aan relatieve
aantrekkelijkheid winnen. Daarmee wordt ontkend dat lonen ten opzichte
van elkaar sterk moeten kunnen fluctueren om oververhitting (tekorten
die productiegroei tegenhouden) te kunnen tegengaan.
Het probleem van de genoemde 'mismatch' kan niet in macro-economische
termen van nationale competitiviteit en conjunctuur worden geanalyseerd
en verklaard. Voor sommige beroepen is er ook tijdens de
hoogconjunctuur een overaanbod van geschikte kandidaten
(bibliothecarissen, taalkundigen, economen, juristen, docenten),
terwijl voor sommige andere beroepen de tekorten chronisch zijn en ook
tijdens laagconjunctuur oververhitting kunnen veroorzaken (lassers,
ingenieurs, paramedici).
De publieke investeringen in opleiding en (her)scholing van de
arbeidskracht zijn niet alleen een krampachtige poging om de 'mismatch'
op te lossen zonder beroep te moeten doen op marktkrachten. Ze zijn ook
volledig misplaatst in het licht van de reële tekorten op de
arbeidsmarkt.
Informatica is slechts één van de vele knelpuntberoepen.
Behalve aan ingenieurs en gegradueerde verpleegkundigen zijn er zowel
in Nederland als in Vlaanderen grote tekorten aan dakwerkers,
loodgieters, overige paramedici, horeca-personeel, metsers, handlangers
en lassers. Deze zijn allemaal beroepen die niet kunnen worden
uitbesteed aan lagelonenlanden. Er is geen bijkomend onderzoek nodig om
te weten te komen dat meer computers op school geenszins bijdragen tot
een betere voorbereiding van de jongeren op het beroep van kelner.
Juist omdat het om knelpuntberoepen gaat, ligt de toegevoegde waarde
van deze beroepen hoog. Toegevoegde waarde is immers een functie van
vraag en aanbod. Er is geen economische reden om prioriteit te geven
aan ICT op het ogenblik dat vele andere sectoren net zo goed
groeipotentieel hebben in functie van de preferenties van consumenten
en patiënten.
2.2. De mythe van
de kenniseconomie met hoge toegevoegde waarde.
Geen enkele statistiek kan bewijzen dat de loonkost in een bepaald land
te hoog ligt in functie van de competitiviteit of in functie van
volledige tewerkstelling. Lonen zijn de rijkdom van een land en ze
worden gefinancierd uit toegevoegde waarde. De geaggregeerde
toegevoegde waarde van een land kan men niet meten. In elk land zijn er
teveel sectoren zonder marktprijzen om ze statistisch te negeren.
Daarom kiezen de statistici voor een technische noodgreep. Zij maken de
contrafactische veronderstelling dat de toegevoegde waarde in die
sectoren gelijk is aan de lonen. Dit komt meestal neer op een
schromelijke overschatting waardoor landen met een grote
overheidssector over het algemeen opgeblazen BNP -cijfers hebben die
niet overeenkomen met de reële rijkdom.
Het is nochtans wel degelijk de reële koopkracht die arbeid moet
financieren. Weinigen willen werken voor symbolisch geld zonder
koopkracht. Daarom is een ander probleem met de aggregatie van
toegevoegde waarden dat niet alle economische activiteiten met
toegevoegde waarde de levenskwaliteit doen toenemen. Sommige
activiteiten dienen om problemen die er vroeger niet waren op te
lossen. Andere dringen zichzelf op ten gevolge van nieuwe normen
die politiek gesteld worden zonder in de privé-huishoudingen als
een vooruitgang aangevoeld worden. Als men bijvoorbeeld meer uitgeeft
aan afvalverwerking, is het niet gezegd dat de consument zich daardoor
rijker voelt. Ook de ICT-ontwikkelingen zelf kunnen een economische
waarde hebben, zonder het gevoel van rijkdom te versterken. Stel
bijvoorbeeld dat de volledige bestedingen van gezinnen en bedrijven aan
ICT gebruikt worden in een poging de productiviteit van andere reeds
bestaande waarden te verhogen. Stel bovendien dat dit voorlopig niet
lukt (de ICT-kosten compenseren de besparingen) en dat de volledige
economische groei overeenkomt met de bestedingen van bedrijven en
gezinnen aan ICT, dan is er geen toename van de rijkdom. Om deze
redenen is het mogelijk dat (inflatiegecorrigeerde) stijgende lonen de
motivatie om te werken niet doet toenemen.
Ware het BNP een betrouwbare indicator, dan zou het mogelijk zijn om te
voorspellen dat bepaalde gemiddelde loonkostontwikkelingen houdbaar
zijn of niet. Maar zelfs dan weten we nog niet welke lonen te hoog zijn
en welke niet.
Omdat de reële rijkdom van een land onmeetbaar is, neigen
neoklassieke economen naar een verklaring van werkgelegenheidscijfers
en conjunctuurschommelingen waaruit de factor toegevoegde waarde is
weggelaten. Deze economen geven met andere woorden een cruciaal element
van de micro-economische verklaring op in functie van verklaringen in
termen van geaggregeerde en gemiddelde economische fenomenen. Op die
manier krijgen we het hoger staande verhaal dat de laaggeschoolden zich
in de rijke landen door hun gemiddelde lonen uit de markt prijzen.
Dit is evenwel alleen mogelijk als een land verzuimt om voordeel te
halen uit de goedkope invoer van laaggeschoolde-arbeidsintensieve
producten voor de ontwikkeling van nieuwe activiteiten en consumptie.
Deze mogelijkheid verdwijnt gemakkelijk uit het zicht. Ten eerste
bevestigen de cijfers grotendeels het eenvoudige verhaal dat goedkope
invoer op de eerste plaats concurrentiële gevolgen heeft voor de
laaggeschoolden. Ten tweede klopt dit beeld met het wijd verspreide
misverstand dat een land zijn rijkdom alleen kan handhaven door zijn
internationale concurrentiepositie te vrijwaren. In feite trekt men dan
de vergelijking tussen een land en een afzonderlijk huishouden
enerzijds te ver en anderzijds niet ver genoeg door. Als je een
goedkopere leverancier vindt, hou je meer geld over voor andere dingen.
Een producent houdt meer geld over voor lonen, winsten en
investeringen; een consument houdt meer geld over voor andere
consumptie. Dit voordeel kan men aggregeren. Het geldt evenzeer voor
een volledig land. Goedkope invoer is een kans voor de verrijking van
een land. Deze kans kan omgezet worden in nieuwe activiteiten die de
positie van laaggeschoolden op de arbeidsmarkt vrijwaren of zelfs
verbeteren.
Anderzijds trekt men de vergelijking tussen een land en een huishouden
te ver door. Samen met de gemakkelijke identificatie van de
ondernemingen die in problemen geraken ten gevolge van concurrentie uit
de lagelonenlanden, creëert deze vergelijking de indruk dat een
land moet concurreren met het buitenland. Vandaar de irrationele
preoccupatie met de competitiviteit van een land.
Een land is evenwel niet in concurrentie met het buitenland, omdat een
land geen onderneming is. Een verlies van nationale competitiviteit is
maatschappelijk irrelevant omdat dit proces op zich niets zegt over de
absolute rijkdom van een land. (Krugman, 1994: 249, 285-290; Krugman,
1996A: 36; Krugman, 1996B) Een land kan tegelijk verrijken en
marktaandeel in de wereld verliezen.
Inmiddels verspreiden de voordelen van de goedkopere invoer zich immers
over het hele land. Niet alleen de consument kan zijn kosten voor
levensonderhoud drukken, ook de producent kan zijn productiekosten
verlagen. Elke productiekostverlaging, hetzij door betere
productiemethodes, hetzij door goedkopere leveranciers, maakt arbeid en
kapitaal vrij voor nieuwe activiteiten. Tegelijk stijgt de koopkracht
waardoor markten voor nieuwe producten ontstaan. Per saldo is de winst
voor de samenleving groter dan het verlies voor de binnenlandse
concurrenten van lagelonenlanden.
Bepaalde industrieën verliezen marktaandeel, zowel in termen van
BNP als in termen van werkgelegenheid, juist door hun toenemende
productiviteit. Rationalisering van de productie, deels dankzij
buitenlandse goedkopere leveranciers en delocalisatie, genereert de
koopkracht voor bijkomende consumptie. Dit proces zou zich ook voordoen
zonder internationale handel, zij het minder snel. De 'industrie' in de
traditionele zin, verloor tussen 1970 en 1990 in de USA 5,7 % van zijn
aandeel in het BNP. Indien de Amerikaanse 'industrie' evenveel had
geëxporteerd als het land 'industriële' producten had
ingevoerd, zou deze daling slechts 14% lager geweest zijn
(Krugman/Lawrence, 1994: 24). Belangrijker evenwel, is dat in dezelfde
periode de Amerikaanse consument veel meer is beginnen uitgeven aan
gezondheidszorg, toerisme, sport en entertainment. Deze nieuwe
industrieën hebben zich maar kunnen ontwikkelen dankzij de
economische inkrimping van de traditionele industrie. Net zomin wij
minder moeten eten omdat de landbouw economisch verschrompelt, zullen
wij minder met de auto kunnen rijden omdat de auto-industrie economisch
marginaliseert.
Volgens het neoklassieke verhaal in termen van nationale
competitiviteit daarentegen, zullen de rijke landen hun welvaart
slechts kunnen handhaven door hun bevolking op te leiden voor jobs met
‘hoge toegevoegde waarde’. In deze laatste uitspraak is het begrip
'toegevoegde waarde' vaag en intuïtief geworden. De gevolgtrekking
dat ICT-jobs een hogere toegevoegde waarde zouden hebben dan jobs voor
ongeschoolden, mist een solide grond. Er is geen enkele theorie
krachtig genoeg om te voorspellen welk soort activiteiten in de
toekomst de grootste toegevoegde waarde zullen realiseren. Dit zou
immers veronderstellen dat ondernemersschap en markt vervangbaar zijn
door wetenschap. De absurditeit van deze veronderstelling werd
uitgebreid aan de kaak gesteld in het werk van Frank Knight (1921),
Friedrich Hayek (1945), Ludwig Von Mises (1949) en Israel Kirzner
(1977).
Als de vraag naar bepaalde ongeschoolde arbeid toeneemt bij
gelijkblijvend aanbod, dan stijgt de toegevoegde waarde ervan. Indien
de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers op microniveau
bepalend zijn, dan stijgt de verloning van deze arbeid onvermijdelijk.
Als bovendien de bereidheid afneemt om deze arbeid te doen, dan kunnen
de schommelingen in verloning zeer groot zijn. Dit laatste fenomeen is
verre van denkbeeldig. Jongeren in het bijzonder en werkzoekenden in
het algemeen hebben subjectieve verwachtingen inzake
arbeidsvoorwaarden. Deze verwachtingen worden niet bepaald door
politieke inschattingen van de 'nationale competitiviteit'. Dergelijke
inschattingen kunnen het stemgedrag beïnvloeden, maar niet de
individuele berekeningen om het eigen welzijn te maximaliseren. Niemand
is bereid zijn looneisen te matigen omdat de regering heeft gezegd dat
de gemiddelde loonkost te hoog is.
Dit doet geen afbreuk aan andere sociale invloeden op de subjectieve
normen die individuen zichzelf stellen. De grootste sociale invloed
oefenen de inkomens in de 'peer-group' van de betrokkene
uit. Daar op lange termijn de inkomens stijgen, is het
normaal dat ook de tewerkgestelden in de oude beroepen hun
verwachtingen in de hoogte bijstellen. Slechts in het geval dat deze
beroepen vervangbaar zijn of aan de lagelonenlanden uitbesteed kunnen
worden, gaat deze ontwikkeling gepaard met arbeidsuitstoot. De
ICT-economie verandert evenwel zeer weinig aan de behoefte aan
verzorgend personeel, bouwvakkers, horecapersoneel, personeel voor de
(plaatselijke) warme bakker. Voorlopig wordt de ICT evenmin gebruikt
voor verhoging van de arbeidsproductiviteit in het onderwijs.
Daarnaast blijven nog vele andere, moeilijk in kaart te brengen,
beroepen voor laaggeschoolden cruciaal voor de hedendaagse economie.
Hun relatieve economische belang kan onverwacht stijgen afhankelijk van
de specifieke noden van de verschillende productieprocessen. Omdat alle
productieprocessen elkaar overlappen (De Vlieghere, 1994), is zelfs
geen korte-termijn planning van de beroepsinkomensdistributie in
functie van het afstemmen van de vraag op het aanbod mogelijk. Omdat
bovendien de exogene parameters van de economie (demografie, nieuwe
ziektes, grondstoffenvoorraden, klimaat) veranderlijk zijn, moet de
economie zich voortdurend aanpassen. Aangezien de mens niet zichzelf
kan aanpassen via natuurlijke selectie (kindersterfte wordt niet meer
aanvaard als aanpassingsmethode), moet de economie zich aanpassen. Dit
kan maar door het vrijmaken van productiefactoren uit bestaande
activiteiten. Als de productie van die activiteiten niet altijd mag
krimpen (gevaar voor dalende welvaart), moet dit gebeuren door
productiviteitsverhogingen (door technische productieprocesinnovatie en
goedkope invoer).
Elke innovatie veroorzaakt evenwel onoverzichtelijke onevenwichten. Een
ogenschijnlijk kleine technische verbetering kan een hele sector
toeleveringsbedrijven wegvagen. (Schumpeter, 1939) Tegelijk ontstaan
nieuwe bedrijfjes met een voor anderen ondoorzichtelijke organisatie,
waardoor de concurrentie laag en de winstmarges hoog zijn. Hoge winsten
worden juist gemaakt op basis van kennis die anderen (nog) niet hebben.
Daardoor is het onmogelijk (en binnen een vrije-markteconomie zelfs
logisch onmogelijk) om vanuit een theoretisch standpunt te beslissen
welke beroepen in de toekomst de meeste toegevoegde waarde zullen
hebben. Als dit in het algemeen waar is, dan kan men natuurlijk ook
niet weten of de hooggeschoolden de ‘winnaars’ van de toekomst zullen
zijn.
3. Rudimentaire
micro-economie en gesofisticeerde macro-economie.
Om een betere diagnose te stellen van de ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt ten gevolge van de informatierevolutie, moeten twee veel
voorkomende methodologische fouten worden vermeden. Een statistische
samenloop van omstandigheden wordt te gemakkelijk geïdentificeerd
met een causaal verband. Meer bepaald botsen we in de literatuur
voortdurend op het verband tussen gemiddelde arbeidskosten en
geaggregeerde werkgelegenheid alsof het een causaal verband betrof
(3.1.). Een andere methodologische fout is het onvoldoende
historisch en epistemologisch analyseren van het concept
‘kennis’. Kennis is altijd reeds een productiefactor geweest. De
technologische informatierevolutie verandert wellicht niets aan het
relatieve gewicht van de kennisfactor in de economie (3.2.).
3.1. Het probleem van de
loonkost verkeerd begrepen.
In tegenstelling tot de invloedrijke maar oppervlakkige auteurs als
Lester Thurow en James Ingram, sommige beleidsgerichte onderzoekers als
Bea Cantillon en enkele sensatiebeluste journalisten , extrapoleren de
meeste onderzoekers hun bevindingen niet naar de toekomst. Hoewel de
ICT tijdelijk drastische verschuivingen in de inkomensverdeling kan
teweeg brengen, is het steeds riskant om te veronderstellen dat recente
trends zich ook in de toekomst zullen doorzetten. Omdat een groot deel
van de vraag naar hooggeschoolden komt van de expansie van
hoogtechnologische bedrijven, is het gevaar groot dat de
hooggeschoolden ook de eerste slachtoffers zullen zijn wanneer
verkeerde investeringen geliquideerd moeten worden. Momenteel zijn we
getuige van een race naar monopolieposities op het internet, wat een
overspannen vraag naar informatici teweegbrengt. Te verwachten
valt dat van zodra de geldschieters niet langer wensen te wachten op de
eerste winsten, slechts een handvol van de internetbedrijven zullen
overleven Op het ogenblik dat H.G. Wells (1895) een toekomstbeeld
projecteerde waarin de arbeiders tot slaven zouden zijn gereduceerd,
waren de lonen in Engeland reeds lang weer aan het stijgen. Wells had
een trend van enkele decennia daarvóór wiskundig
doorgetrokken naar de toekomst. Zoals in het midden van de 19de eeuw
het inkomensaandeel van het kapitaal drastisch toenam ten nadele van de
arbeid, maar daarna weer inkromp, zo kan het ook gaan met het
inkomensaandeel van de hooggeschoolden in de 21ste eeuw.
Toch springen ook de empirische onderzoekers nog onzorgvuldig om met
het beschikbare bewijsmateriaal. Ten eerste is er het algemene probleem
dat de neoklassieke economie ter wille van de kwantificeerbaarheid van
de macro-economische fenomenen de micro-economische factoren
verwaarlozen. De hoger vermelde auteurs kunnen tot voorbeeld gelden.
Zij steunen zwaar op het vermeende causale verband tussen gemiddeld
loon en geaggregeerde werkgelegenheid. De laaggeschoolden prijzen
zichzelf uit de markt omdat hun toegevoegde waarde ook in lage-lonen
landen kan worden gerealiseerd. Een feitelijke stijging van de
werkloosheid van laaggeschoolden wordt meteen opgevat als een
‘structurele daling van de vraag naar ongeschoolde arbeid’ (Welfens,
1999: 169) en wordt zonder meer ten laste van de kennisintensieve
technologische revolutie gelegd. (Cantillon, 1999: 267)
De statistisch significante correlatie tussen deze twee
macro-economische waarden spreekt evenwel de micro-economie tegen.
Volgens de micro-economie zijn lonen niets anders dan prijzen die
stijgen bij tekorten en dalen bij overschotten. De genoemde auteurs
zijn ergens onderweg in hun onderzoek vergeten dat prijzen maar hun
functie als dusdanig kunnen vervullen (de functie van het continu
corrigeren van tekorten en overschotten) indien zij ten opzichte van
elkaar vrij kunnen fluctueren. Het is daarom onwaar dat werkloosheid
(een overschot aan arbeidskrachten) kan worden veroorzaakt door de
gemiddelde loonkost.
Het probleem van de loonrigiditeit is nochtans niet geheel onbekend bij
de neoklassieke economen. Welfens bijvoorbeeld behandelt het probleem
(1999: 177-178) naar aanleiding van de vaststelling dat
groei-economieën met een beleid van loonmatiging oververhitten.
Deze landen lijden niet aan loonkrapte, maar aan onvoldoende
loondivergentie. Door een te hoog bodemtarief voor de laagste
salarissen gekoppeld aan een politiek van algemene loonmatiging is er
een gebrek aan intersectorale mobiliteit (van slecht presterende
sectoren naar groeisectoren) en is ook intrasectoraal de ongeschoolde
arbeid te duur omdat het loonverschil kleiner is dan het
productiviteitsverschil.
Zowel bij Welfens als bij Cantillon blijft deze uitleg evenwel gevangen
zitten in het stramien van de tegenstelling
geschoold-ongeschoold. De lonen van de laagstgeschoolden zouden
te hoog zijn in vergelijking met hun productiviteit. Als men toch
moet erkennen dat lonen ten opzichte van elkaar moeten kunnen
divergeren al naargelang de tekorten en de overschotten, dan is niet
meer duidelijk waarom de remuneratieverdeling afhankelijk zou zijn van
de scholingsgraad.
Ook wanneer men de arbeidsmarkt opdeelt in laaggeschoolden,
middelhooggeschoolden en hooggeschoolden, blijft het macro-economische
verband tussen loonkost en werkgelegenheid nietszeggend. Dat is de
tweede tekortkoming in de literatuur: categorieën die omwille van
de meetbaarheid abstractie maken van de relevante verschillen. De
onderzoekers hanteren steevast een rudimentaire conceptuele
tegenstelling tussen hooggekwalificeerden of hooggeschoolden en
laaggeschoolden. Door hun operationaliteit zijn deze concepten rigide
en hebben ze een beperkte, zoniet onbestaande, toepasbaarheid. Om
bijvoorbeeld de ‘mismatch’ op de arbeidsmarkt tussen vacatures en
werkzoekenden te verklaren of zelfs maar te beschrijven, zijn deze
categorieën volledig ongeschikt. Net zomin als de factor arbeid is
de subfactor laaggeschoolde arbeid een homogene massa onderling
uitwisselbare arbeidskrachten. Vraag en aanbod staan hoogstens in een
complex verband met scholingsgraad. Binnen de categorie van
laaggeschoolden situeren zich de grootste verschillen in verloning. Of
iemand als verkoper succes heeft in een bloeiende sector, heeft
ongeveer niets te maken met zijn diploma. Omgekeerd kunnen doctors in
het spijkerschrift ongeschikt zijn voor de arbeidsmarkt. Over het
algemeen kan men stellen dat beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet
in meetbare categorieën kan worden gevat.
Economen zijn verkeerd bezig wanneer zij statistieken laten prevaleren
op micro-economische verklaringen. Statistische testprocedures kunnen
nooit exacte experimentele tests vervangen, noch logische evidenties
opzij zetten. Meestal zullen economen dat ook niet doen. Geen enkele
hoeveelheid statistische overeenkomsten tussen renteverhogingen en
stijgingen van de bestedingsquote kan een econoom van de gedachte
afbrengen dat de rente een kostenelement is dat de investeerder matigt
in zijn projecten en de consument motiveert om zijn consumptie uit te
stellen. Als de statistische gegevens in strijd zijn met fundamentele
theorema's die in de micro-economie zijn getest, gaat men meestal over
tot het verfijnen van de metingen. Dit wil zeggen dat men bijkomende
statistische onderverdelingen invoert. De vraag is evenwel hoeveel
verfijningen nodig zijn als het aantal relevante factoren
virtueel onbeperkt is. De economie is een complex fenomeen waarin op
het eerste gezicht onooglijke factoren zoals modeverschijnselen en
zelfs individuele keuzes via positieve non-lineaire causaliteit (het
zogenaamde 'vlindereffect') de geaggregeerde en gemiddelde uitkomsten
fundamenteel kunnen beïnvloeden. Omdat het begrip 'statistische
significantie' bovendien gebaseerd is op de nooit bewezen intuïtie
van de normale verdeling , kan men toeval nooit met zekerheid
uitsluiten. Omdat tenslotte zelfs het uitsluiten van toeval nog geen
uitsluitsel geeft over een mogelijke verborgen derde factor , kan de
econoom niet anders dan zijn metingen verfijnen zolang ze niet in
overeenstemming te brengen zijn met zijn theorieën. De vraag is
wat de zin van een dergelijke onderzoeksprocedure is. Het onderzoek zou
economischer verlopen zonder de poging om theorieën te onderbouwen
met statistische gegevens.
Economische 'wetmatigheden' duiden hoe dan ook geen dwingende causale
verbanden aan. Zelfs de meest elementaire economische wetten zeggen
alleen wat bevorderend of belemmerend is voor een bepaald fenomeen. Een
stijging van de prijs is bevorderend voor het aanbod en belemmerend
voor de vraag. Slechts bij wijze van spreken zegt men dat een
prijsverhoging de vraag verlaagt en het aanbod verhoogt. Letterlijk
genomen, wordt die uitspraak continu en op grote schaal weerlegd.
Kortom, statistische correlaties zijn geen causale verbanden en
verklaren dus niets. Veeleer is een opvallende statistische correlatie
in de economische sfeer een reden om te zoeken naar een verklaring in
het arsenaal van reeds gekende micro-economische verbanden.
Scholingsgraad figureert als factor zelden in een micro-economische
verklaring van werkloosheid omdat er geen doelrationele logica zit
achter een koppeling van loonhoogte aan niveau’s van diploma’s. Een
werkgever kan wel binnen een bepaalde specialisatie een rationele
voorkeur hebben voor een hoger diploma en daarop is wellicht de hoop
van econometristen gestoeld dat scholingsgraad en loonhoogte een zekere
statistische overeenkomst vertonen. De vraag is evenwel niet
waarom laaggeschoolden gemiddeld minder verdienen of meer werkloos zijn
dan hooggeschoolden, maar waarom dit verschil de laatste decennia
toeneemt.
3.2. De kenniseconomie
verkeerd begrepen.
Het soort kennis dat een ondernemer een voorsprong op de markt geeft,
hoeft niets met spitstechnologie te maken te hebben. Het gaat om kennis
van de vraag op de markt (niet alleen de consumptieve vraag, maar ook
de vraag van potentiële industriële klanten) en om de kennis
hoe daar bedrijfsmatig op in te spelen. Bovendien is deze kennis
grotendeels van impliciete aard. De kennisleer is sinds het werk van
Michael Polanyi (1967) en Michael Oakeshott (1975) in toenemende mate
van het logisch-empirisme afgeweken op het punt dat kennis per
definitie ook expliciet mededeelbaar is. Specialisten en praktijkmensen
blijken niet in staat te zijn hun technische kennis in handleidingen en
cursussen te reproduceren. Handleidingen zijn gebrekkige noodmiddelen
die nooit het leren in de praktijk kunnen vervangen.
Expliciet-reproduceerbare kennis is slechts één van de
cognitieve types in elke organisatie. (Lam, 2000) Een nieuwsoortig
bedrijf met hoge winstmarges hoeft dus evenmin een hooggeschoold
bestuur, laat staan een hooggeschoold personeel te hebben.
Dat kennis de winstmarges bepaalt, is met andere woorden een bijna
universeel gegeven. Zelfs in de middeleeuwse corporatistische economie
steunden de winsten op bepaalde kennismonopolies.
De grote doorbraken op het gebied van de ICT laten ons geenszins toe te
besluiten dat laaggeschoolden zichzelf uit de markt prijzen en dat de
samenleving meer moet investeren in ICT-opleiding. Als bovendien blijkt
dat de moderne economieën momenteel kampen met zware tekorten aan
laaggeschoold personeel, moet de oorzaak van de relatieve
oververtegenwoordiging van laaggeschoolden in de
werkloosheidsstatistieken elders worden gezocht.
3.3. Terug naar een
micro-economische verklaring van werkloosheid.
We moeten daarom terugvallen op de meest algemene en abstracte
micro-economische verklaring van werkloosheid die er is. Er is nooit
een tekort aan werk. Werkloosheid wordt veroorzaakt door een te geringe
bereidheid om de aangeboden job te aanvaarden. Daaruit volgt dat de
verwachte arbeidsvoorwaarden hoger zijn dan de aangeboden
arbeidsvoorwaarden. Een eenvoudige formulering is dat de werkloze lui
is. Door de zware morele connotaties ervan, gaan in het woord 'lui' de
transitieve of historisch-variabele betekenissen verloren. Luiheid zou
in deze context een historisch relatief begrip moeten zijn in plaats
van een (inter)persoonlijk relatief begrip. We zijn allemaal lui in
verhouding tot onze voorouders. Niemand is vandaag nog bereid om hun
jobs te doen. Niet alleen zijn we niet meer bereid om in gevaarlijke
mijnen te werken, bovendien willen we niet meer voltijds voor een ander
werken voor minder dan het equivalent van een woning met modern
comfort, een eigen auto en internetaansluiting.
'Luiheid' is in verband met werklozen een weinig verhelderende woord
omdat verkeerdelijk gesuggereerd wordt dat werklozen luier zouden zijn
dan werkenden. Omdat het om die reden ook een politiek incorrecte term
is geworden, verdwijnt helaas ook het causaal verband tussen de
economisch-rationele berekening van de individuele werkzoekende en
werkloosheid grotendeels uit het gezichtsveld. De 'werkloosheidsval' is
weliswaar voorwerp van studie, maar wordt veel te eng in termen van
maandinkomens opgevat. Niet alleen de werkloze die zijn besteedbaar
inkomen niet kan verhogen door een job te aanvaarden, zit in de
werkloosheidsval. Elke werkloze maakt een schatting van wat een
mogelijke job hem oplevert in termen van levenskwaliteit. Daarin spelen
parameters als vrije tijd, moeilijkheidsgraad van herscholing, afstand
woon-werkverkeer en verwachte werkomstandigheden een rol. Indien
bijvoorbeeld de factor vrije tijd voor de betrokkene van groot belang
is, dan telt niet zozeer het maandloon, maar wel het uurloon. De
werkgever moet niet alleen betalen voor het levensonderhoud, maar in
vele gevallen ook voor de tijd van haar werknemer. Om een overeenkomst
met een werknemer te kunnen sluiten moet het uurloon minstens even hoog
zijn als wat een bijkomend uur vrije tijd voor die werknemer waard is.
Hieruit vloeit voort dat de werkloosheidsproblematiek steeds verkeerd
wordt gesteld. Niemand is geïnteresseerd in een job tegen om het
even welke voorwaarden. Bijna iedereen is er op uit om een zo
aantrekkelijk mogelijke job te vinden. De uitdaging is niet om zoveel
mogelijk werkgelegenheid te creëren, maar om steeds betere
werkgelegenheid te creëren.
Ook een werkloze voor wie het marginaal nut van vrije tijd gering is,
of die zelfs een teveel aan vrije tijd heeft, zal niet tegen om het
even welke prijs werk aanvaarden. Elke werkzoekende heeft een gevoel
van eigen (economische) waarde. Dit gevoel wordt beïnvloed door de
sociale omgeving. Als de modale job aantrekkelijker wordt, zal ook de
werkloze zijn normen verhogen. Om die reden is het onmogelijk om in een
democratie de werkloosheid op te lossen. Zolang mensen vrij zijn om hun
eigen economische waarde te bepalen, zullen er misrekeningen zijn.
Zolang de slavernij niet terug wordt ingevoerd, kan er geen perfecte
afstemming zijn van de verwachte en de aangeboden arbeidsvoorwaarden.
Bij sterke economische groei, verschuift de werkloosheid naar hogere
kwaliteitsniveau's van de arbeidsvoorwaarden. Vooruitgang lijkt mij dan
ook niet samen te hangen met een oplossing van de werkloosheid, maar
met de verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Streven naar een
definitieve oplossing van de werkloosheid is een revolte tegen de
menselijke conditie en tegen de condities van de democratie.
4. Waarom is de
relatieve positie van de laaggeschoolden
dan wel verslechterd?
De vraag naar hooggeschoolden kan gemakkelijk door de overheid worden
gestimuleerd, los van de evoluties van de productprijzen. Het aandeel
in de tewerkstelling van de non-profit sector (overheid, persoonlijke
zorg) steeg in Nederland tussen 1960 en 1987 van 21% tot 30%. Sindsdien
is er een stagnatie. Belangrijker is evenwel de verschuiving van
beroepen binnen de sectoren. Het aandeel in de tewerkstelling van
manuele en technische beroepen in industrie en transport daalde van 43%
in 1960 tot 23% in 1994. Het aandeel van de diensten-, administratieve
en commerciële functies steeg in dezelfde periode van 30% tot 38%.
Het aandeel van specialisten, wetenschappers en managers verdubbelde
van 12% tot 25%.
Deze verschuivingen kunnen zijn veroorzaakt door politieke
beslissingen. Deze gaan niet altijd tegen de markt in. Er zijn namelijk
grote werkgevers die geen of in beperkte mate marktprijzen hebben (de
persoonlijke zorgsector, onderwijs, gesubsidieerd theater en kunsten,
sociale huisvesting, gesubsidieerde wetenschap). Daarnaast legt de
overheid rapporteringsverplichtingen aan commerciële bedrijven op
ter wille van controle, veiligheid en sociale zekerheid die onder
marktomstandigheden voor een groot stuk eveneens zouden ontstaan. Toch
kan men zich niet van de indruk ontdoen dat de onderhandelingspositie
van de hooggeschoolden kunstmatig door politiek ingrijpen op de
arbeidsmarkt wordt opgeblazen. Niet alleen de overheidssteun aan en de
belastingaftrekken voor onderzoek en ontwikkeling drijven de vraag naar
hooggeschoolden op (Chennells/Van Reenen, 2000: 28), ook het
managementsmodel van de samenleving kan een overwaardering van de
hooggeschoolden te weeg brengen. Het gevaar is niet denkbeeldig dat een
bestuurderselite ontstaat, die om haar positie te vrijwaren van externe
concurrentie, er alle belang bij heeft dat de bevolking begint geloof
te hechten aan de ideologie dat de moderne samenleving steeds meer
management vergt. Technocratieën stellen zich niet alleen in de
plaats van democratie en markt, maar veroorzaken tegelijk een diarree
van bestuursfuncties in industrie (inclusief non-profit sectoren),
kredietwezen en overheid die de werkdruk van de andere werknemers
verhoogt en hun besteedbare inkomen verlaagt. Op het ogenblik dat er
ernstige tekorten zijn aan personeel, moet men zelfs niet meer wachten
om een reële daling van de levenskwaliteit te zien. De reële
koopkracht daalt niet alleen door lagere lonen, maar ook door de lange
wachtlijsten in de huisvesting, de gezondheidszorg en de overige
persoonlijke zorgsectoren ten gevolge van een tekort aan arbeidskracht.
Omdat reële koopkracht alleen gefinancierd kan worden uit
reële toegevoegde waarde, gaat de inefficiënte tewerkstelling
onvermijdelijk ten koste van de relatieve positie van de andere
werknemers.
Als steeds meer middelen naar het toenemende aantal bestuurdersfuncties
gaan, moet er bespaard worden op de andere functies. In eerste
instantie neemt daardoor de werkdruk in die andere functies toe. De
onaantrekkelijkheid van een beroep ten gevolge van de werkdruk zou
kunnen worden gecompenseerd door een hoger salaris. Omdat de actieve
welvaartsstaat ervan uitgaat dat arbeidskostverlaging meer jobs
creëert, moeten evenwel ook de reeds zwaar belaste werknemers
inleveren. Op die manier kunnen knelpuntberoepen ontstaan waarin een
spiraal van werkdrukverhogingen, laattijdige vacatures en gebrek aan
sollicitanten dramatische tekorten veroorzaakt. De enige uitlaatklep
voor de actieve welvaartsstaat is de ‘alternatieve financiering’ van de
sociale zekerheid. De arbeidskost kan verlagen zonder de
netto-salarissen te verlagen door een gedeelte van de lasten op arbeid
af te wentelen op hogere accijnzen en nieuwe milieutaksen. De stijgende
levensduurte ten gevolge van deze ‘alternatieve financieringen’ komt
evenwel opnieuw neer op een genivelleerde inlevering van alle
werknemers, zonder onderscheid naar de graad van schaarste van hun
arbeid.
In plaats van de factoren technologie en internationale handel als de
uitdaging van de actieve welvaartsstaat te zien, zou het beter zijn om
de interne kapitaalstromen van de winstgevende naar de verlieslatende
tewerkstelling onder de loepe te nemen. Anders zou de actieve
welvaartsstaat wel eens juist in de kaart van de hooggeschoolden ten
koste van de laaggeschoolden kunnen spelen.
Besluit.
Het uitgangspunt van de actieve welvaartsstaat is dat er een duale
samenleving dreigt waarbij de scheidslijn loopt langs de
scholingsgraad. De kloof tussen hoger en lager geschoolden wordt de
overheersende sociale segmentatie, zo heet het dan.
Empirisch bestaat er geen twijfel over dat er de laatste twee decennia
zowel in de USA als in de EU maatschappelijke verdelingsprocessen van
uiteenlopende aard bestaan die voor de hoger opgeleiden gunstig
verlopen (die hun relatieve positie op de arbeidsmarkt verbeteren). Men
moet zich evenwel nog altijd afvragen van welke aard deze
maatschappelijke verdelingsprocessen zijn en of zij van blijvende aard
zijn. Voor de voorstanders van de actieve welvaartsstaat is het een
uitgemaakte zaak dat de informatiemaatschappij duurzaam de
laaggeschoolden uitstoot. Deze conclusie is voorbarig.
We moeten vooreerst opletten met extrapolaties van tendenzen naar de
toekomst. Een tendens kan al voorbij zijn vooraleer men haar goed en
wel herkent en een samenloop van omstandigheden kan toevallig zijn. We
kunnen onmogelijk bewijzen dat de nieuwe economie theoretische en
schoolse kennis hoger waardeert dan de grotendeels impliciete kennis
bij manuele en sociale vaardigheden. Dat de statistische achteruitgang
van laaggeschoolden samenvalt met de spectaculaire doorbraak van
ICT-investeringen is op zichzelf nog geen causaal verband. Deze
samenloop van omstandigheden kan toevallig zijn of een ander causaal
verband verbergen. Een causaal verband is bijvoorbeeld de relatie
tussen factorprijzen zoals de lonen en productprijzen. Maar
kennisintensieve producten worden sneller goedkoper dan kennisarme
producten. De statistische robuuste relatie tussen computergebruik en
loonhoogte binnen de bedrijven bewijst ook niets. Misschien krijgen de
best betaalde werknemers ook het beste materiaal. De causale relatie is
dan omgekeerd. Of het is toeval. Hoewel statistisch even indrukwekkend,
zal niemand beweren dat het verband tussen loonhoogte en potloodgebruik
causaal is. Kortom, er zijn geen duidelijke redenen waarom de
verzorgingsstaat meer zou moeten investeren in opleiding. Hoewel de
laatste 20 jaar een duidelijke relatieve achteruitgang van de
laaggeschoolden vast te stellen valt, is geen causaal verband met de
informatisering van de economie aantoonbaar
Als we niet zeker zijn dat een algmene verschuiving in de rol en de
aard van kennis in de ICT-economie de positie van de laaggeschoolden
verslechtert, moeten we opletten dat we geen mogelijke andere
verklaringen over het hoofd zien. Een alternatieve verklaring is de
politieke voorkeur voor hooggeschoolden. Indien dit de doorslaggevende
factor is, dan wordt de actieve welvaartsstaat een selffulfilling
prophecy: hij creëert zelf het probleem dat hij geacht wordt op te
lossen. Meer opleiding, meer hoger onderwijs, meer planning en meer
pseudo-non-profit activiteiten verslechteren de positie van de
laaggeschoolden.
Het gelijktijdige tekort aan en de hoge werkloosheidsgraad van
laaggeschoolden wijst niet op een lagere waardering voor de
laaggeschoolden omwille van het Stolper/Samuelson-effect, maar op
rigiditeiten en interventies op de arbeidsmarkt. De verdeling van de
remuneraties op de arbeidsmarkt signaleert onvoldoende de reële
tekorten en overschotten.
Tekorten zouden normaal gepaard moeten gaan met prijsstijgingen.
De actieve welvaartsstaat opteert evenwel voor een algemene
looninlevering waardoor de lonen niet meer ten opzichte van elkaar
kunnen fluctueren. Paradoxaal genoeg kan dat systematisch ten
koste van de laaggeschoolden gaan. Dat gebeurt wanneer de actieve
welvaartsstaat met zijn opvallende prioriteit voor opleiding en
onderwijs, ook via politieke sturing een grotere rol aan hooggeschoolde
bestuurders en wetenschappers toebedeelt. Dat kan door de
bedrijven en instellingen steeds strengere veiligheids-,
rapporterings-, milieu- en sociale normen op te leggen. Vanuit de
ideologie van de deskundige maakbaarheid van de samenleving verdringen
de 'symbolische werknemers' de effectieve werknemers. De middelen
voor deze laatsten dalen dan, waardoor de oververhitting (overwerk en
wachtlijsten) geen uitlaatklep kan vinden in de aantrekking van
gedemotiveerde werklozen door middel van hogere lonen.
De stap is dan zeer klein om onder 'activering' van de welvaartsstaat
de verlaging van de werkloosheidsuitkeringen te verstaan. Al dan niet
ongewild, creëert de actieve welvaartsstaat dan het probleem dat
het zelf pretendeert op te lossen: een duale samenleving van een
groeiende groep goedbetaalde 'symbolische werknemers' die een krimpende
groep laaggeschoolden steeds harder doet werken voor steeds minder
inkomen. De sociale dualiteit loopt alleen maar langs de grens
tussen laaggeschoolden en hooggeschoolden, omdat de theoretici en de
politici van de actieve welvaartsstaat kiezen voor de overwaardering
van de hooggeschoolden.
De traditionele uitleg dat een vrije arbeidsmarkt de waardering van de
laaggeschoolden verlaagt en een rigide arbeidsmarkt de werkloosheid van
de laaggeschoolden doet toenemen, gaat niet meer op. De 'paradoxale
arbeidsmarkt' wijst in een andere richting. Een hoog wettelijk
minimumloon bijvoorbeeld, kan moeilijk aan de basis liggen van de hoge
werkloosheid onder laaggeschoolden als er tegelijk een tekort is aan
laaggeschoolden.
De intellectuele en politieke consensus dat de kennismaatschappij een
uitdaging is voor de verzorgingsstaat, is gebaseerd op overvloedig,
maar misleidend cijfermateriaal en op een gebrek aan genuanceerde
theorievorming. 'Activering' van de verzorgingsstaat zoekt de oorzaken
voor de sociale uitsluiting op de verkeerde plaats. Zij staart zich
blind op de beperkte scholing van een groot deel van de arbeidskracht
en vergeet dat ook de kunstmatige vraag naar managers een factor is van
de verschuivingen op de arbeidsmarkt.
Dr.
Martin De Vlieghere
|
Literatuur.
BERMAN, E.; BOUND, J.; GRILICHES, Z. (1994), Changes in the Demand for
Skilled Labor within US Manufacturing: Evidence from Annual Survey of
Manufactures, in: Quarterly Journal of Economics, Vol. 109, N° 2,
367-397.
BOVENBERG, A.L. (1997), CPB Report 1997/2, Centraal Planbureau, 's
Gravenhage.
BOUABDALLAH, K.; GREENAN, N.; VILLEVAL, M.-C. (1999), Le biais
technologique: Fondements, mesures et tests empirique, in: Revue
Française d’Economie, Vol. 14, N° 1, 171-227.
BURNHAM, J. (1941), The Managerial Revolution, Penguin, London.
CANTILLON, B. (1999), (red.), De welvaartsstaat in de kering,
Pelckmans, Kapellen.
COHEN, W.M./LEVINTHAL, D.A. (1990), Absorptive-Capacity - A New
Perspective on Learning and Innovation, in:
administrative science quarterly, Vol. 35, N° 1, 128-152.
DESJONQUERES, T.; MACHIN, S.; VAN REENEN, J. (1999), Another Nail in
the Coffin? Or Can the Trade Based Explanation of Changing Skill
Structures be Resurrected?, in: Scandinavian Journal of Economics, Vol.
101, N° 4, 533-554.
DE VLIEGHERE, M.; A Reappraisal of Friedrich A. Hayek’s Cultural
Evolutionism, in: Economics and Philosophy, Vol. 10, N° 2, 285-304.
DINARDO, J.; PISCHKE, J.S. (1997), The Returns to Computer Use
Revisited: Have Pencils Changed the Wage Structure Too?, in: Quarterly
Journal of Economics, Vol. 112, N° 1, 291-303.
FITZENBERGER, B. (1999), International Trade and the Skill Structure of
Wages and Employment in West Germany, in: Jahrbücher f.
Nationalökonomie u. Statistik, Vol. 219/1+2.
FORRESTER, V. (1997), De terreur van de economie (oorspr.: L'horreur
économique), Ambo, Baarn.
FREEMAN, C./SOETE, L. (1987), Technical Change and Full Employment,
Basil Blackwell, Oxford/New York.
GEROSKI, P.; MACHIN, S.; VAN REENEN, J. (1993), The Profitability of
Innovating Firms, in: Rand Journal of Economics, Vol. 24, N° 2,
198-211.
HAYEK, F.A. (1945), The Uses of Knowledge in Society, reprinted in:
Individualism and Economic Order, Routledge, London, 1980.
KIRZNER, I. (1973), Competition and Entrepreneurship, University of
Chicago Press, Chicago, 1973.
KNIGHT, F. (1921), Risk, Uncertainty, and Profits, University of
Chicago Press, Chicago.
KRUGMAN, P. (1994), Peddling Prosperity - Economic Sense and Nonsense
in the Age of Diminished Expectations, W.W. Norton, New York/Londen.
KRUGMAN, P. (1996A), Pop Internationalism, M.I.T., Cambridge (Mass.).
KRUGMAN, P. (1996B), Making sense of the Competitiveness Debate, in:
Oxford Review of Economic Policy, Vol. 12, N° 3, 17-25.
KRUGMAN, P./LAWRENCE, R.Z. (1994), Trade, Jobs, and Wages, in:
Scientific American,
LAM, A. (2000), Tacit knowledge, organizational learning and Societal
Institutions: An Integrated Framework, in: Organization Studies, Vol.
21, N° 3, 487-513.
LAPP, S.; LEHMENT, H. (1997), Lohnzurückhaltung und
Beschäftigung in Deutschland und den Vereinigten Staaten, Die
Weltwirtschaft, Heft 1, 67-83.
LAWRENCE, R.Z. (1994), Trade, Multinationals and Labor. National Bureau
of Economic Research,
LAWRENCE, R.Z.; SLAUGHTER, M.J.; HALL, R.E.; DAVIS, S.J.; TOPEL, R.H.
(1993), international-trade and american wages in the 1980s - giant
sucking sound or small hiccup, in: Brookings papers on economic
activity, Brookings Institute, Washington (D.C.), Vol. 2, 161-226.
LEAMER, E.E. (1996), In Search of Stolper-Samuelson Effects on U.S.
Wages, in: S. Collins (ed.), Imports, Exports, and the American Worker,
The Brookings Institution, Washington (D.C.).
MACHIN, S.; VAN REENEN, J. (1998), Technology and Changes in Skill
Structure: Evidence from Seven OECD Countries, in: Quarterly Journal of
Economics, Vol. 113, N° 4, 1215-1244.
MACHIN, S.; RYAN, A.; VAN REENEN, J. (1996), Technology and Changes in
Skill Structure: Evidence from an International Panel of Industries,
Discussion Paper N° 297, London School of Economics, London.
MARTIN, H.-P.; SCHUMANN, H. (1997), Globalisering - De wereld in verval
(oorspr. Titel: Die Globalisierungsfalle. Der Angriff auf Demokratie
und Wohlstand), Elmar, Rijswijk.
MULDER, C.B. (1993), Wage-Moderating Effects of Corporatism:
Decentralized Versus Centralized Wage Setting in a Union, Firm,
Government Context, The Manchester School of Economic and Social
Studies, Vol. 61, 287-306.
NEVEN, D./WYPLOSZ, C. (1996), Relative Prices, Trade, and Restructuring
in European Industry, Centre for Economic Policy Research, Londen.
NICKELL, S.; BELL, B. (1995), The Collapse in the Demand for the
Unskilled and Unemployed across the OECD, in: Oxford Review of Economic
Policy, Vol. 11, N° 1, 40-62.
OAKESHOTT, M. (1975), On Human Conduct, Clarendon Press, Oxford, editie
1991.
POLANYI, M. (1967), The Tacit Dimension, Routledge & Kegan Paul,
London.
SCHUMPETER, J. (1939), Business Cycles: A Theoretical, Historical, and
Statistical Analysis of the Capitalist Process, McGraw-Hill, New York.
STOLPER, W.F.; SAMUELSON, P.A. (1941), Protection and Real Wages,
editie Edward Elgar, Aldershot, 1995.
SOSKICE, D. (1990), Wage Determination: The Changing Role of
Institutions in Advanced Industrialized Countries, in: Oxford Review of
Economic Policy, 6 (4), 42-60.
CHENNELLS, L.; VAN REENEN, J. (2000), Has Technology Hurt Less Skilled
Workers? Working Paper Series N° W99/27, The Institute for Fiscal
Studies, London.
VISSER, J./HEMERIJCK, A. (1997), A Dutch Miracle - Job Growth, Welfare
Reform and Corporatism in the Netherlands, Amsterdam University Press.
VANDENBROUCKE, F. (2000), Op zoek naar een redelijke utopie : de
actieve welvaartsstaat in perspectief , Garant, Leuven.
VON MISES, L. (1949), Human Action, third revised edition, Contemporary
Books, Chicago, 1966.
WELLS, H.G., The Time Machine, Dent, London, 1996.
WELFENS, P.J.J. (1999), Globalization of the Economy, Unemployment and
Innovation, Springer, Berlin/Heidelberg.
WOOD, A. (1994), North-South Trade, Employment and Inequality :
Changing Fortunes in a Skill-Driven World, Clarendon press, Oxford.
SAMENVATTING. |
| Summary -
The labor market challenges of the information age and the premature
answer of the ‘active welfare state’. The countries that have the means
to invest in information and communication technology (ICT) must heed a
development toward a dual society with a large minority of
low-qualified people who cannot keep up with the new job-requirements.
Statistics confirm that unskilled personnel is vulnerable in the
ICT-economy. This confirmation however is highly misleading. The
political consensus of activating the welfare state in order to avoid a
social rift between the ICT-literate and –illiterate people is based on
a theoretically weak and naive interpretation of the facts. Moreover, I
find that the literature blatantly disregards certain other facts in
order to maintain a simplistic explanation of the supposedly relative
weak position of unskilled personnel on the labour market. More in
particular, the statistics on job vacancies according to required level
of education suggest a lack of unskilled personnel. The only way to
explain the paradox that there is at the same time a shortage and a
high number of unemployed low qualified personnel is a purely
micro-economic explanation. However, the most commonly known
micro-economic explanation of this paradox is insufficient. It seems
that economists selectively use only one micro-economic principle, in
conjunction with for the purpose unavoidably crude macro-economic
(statistic) testing, in order not to endanger the myth of the ‘new
economy’ that makes the low-qualified personnel redundant. |
|
|
|
|
|
|
News from Brussels' leading think-tank..
WorkForAll
is een onafhankelijke en pluralistische denktank. We onderzoeken
sociale modellen en structuren op hun efficiëntie in de realisatie
van
sociale objectieven. Los van ideologie onderzoeken we het succes van
beleidstypes in hun realisatie van werkgelegenheid, welvaart,
solidariteit en individuele vrijheid.
|
|
|
|
|
|
The Path To
Sustainable Growth
Lessons From
20 Years Growth Differentials In Europe
Martin De Vlieghere, Paul Vreymans
Samenvatting:
Terwijl de rest van de wereld floreert als
zelden voorheen, hinkt de Europese economie hopeloos achterop. Hoge
productiviteit, technologisch niveau en kennis en uitzonderlijke
arbeidsethiek halen niks uit. De groei is ook merkwaardig verschillend:
Frankrijk, Duitsland en Italië stagneren evengoed als de
scandinavische landen Denemarken, Zweden en Finland. Allen wonnen
minder dan 44% voorspoed in de laatste 20 jaar. Ierland groeide 4 keer
sneller, en werd met 169% welvaartsdgroei in diezelfde 20 jaar het
2° rijkste land van Europa, en slaagde erin banen te creëren
voor allen.
Buitensporige overheids-inmenging is de hoofdoorzaak van Europa's
zwakke prestaties. De overmaatse publieke sector is in hoge mate
onpoductief, en doet de volledige productiviteitswinsten van de
Privé-sector en zijn uitzonderlijke prestaties volledig te
niet. Europa kan zijn sociaal-economische prestaties verbeteren
door de Ierse succesformules over te nemen: Inkrimping van de
overheidsuitgaven, terugschroeven van de bureaucratie en verschuiving
van de belastingsdruk van inkomen op consumptie. Dit boek beschrijft
waarom de Lissabon-Agenda en decennia lang Keynesiaanse
vraagstimulering en inflatoire monetaire politiek hebben gefaald. Het
boek ontwikkelt een alternatief en haalbare aanbod-strategie en
doeltreffende methodes voor een menselijk en financieel duurzame groei.
Dit boek leest
als een stap-voor-stap handleiding voor economische herstel. Het is een
data-referentie voor studenten en politici met interesse voor groei,
sociale zekerheid, en sociale modellen. Het is een klassieker voor
economisten die bezorgd zijn over de excesieve overheid, over de lage
productiviteit in de openbare sector, en voor ouders die zich zorgen
maken om hun de dalende levensstandaard en om de toekomst van hun
kinderen. |

free
download here
Vindt U deze info
belangrijk?
Link ons op Uw web-site aub. Dank U
|
|
|
Opmerkingen
of suggesties?
Mail ons aub op:

paul.vreymans@workforall.net
|
|
|